Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eiken kreupelhout beplant, waarvan de dorre takken nog hier en daar voorzien waren met de verschrompelde en saamgetrokken bladeren van een vorig seizoen, deels met berken, wier jeugdig lentegroen het oog verheugde, — deels met enkele popelstruiken, wier aankomend blad in eeuwige onrust op den wind fladderde, — deels alleen overdekt met krakend mos en geurige duinviooltjes: doch overal aan den benedenkant begroeid met welriekend pijpkruid, met donkere netelstruiken en andere ontelbare gewassen, wier verscheidenheid vooral in het eerste lenteseizoeu de omstreken van _ Haarlem in den dos der vreugde kleedt. — Maar nu werd dat uitzicht ruimer: tusschen de kleine dwergeiken door, welke aan weerszijden in de laan stonden, blikte men over een min of meer afhellende vlakte, met een frisch glanzend grastapijt overdekt, op hetwelk duizenden voorjaarsbloemen hare lachende kleuren ten toon spreidden. Op de helft der laan was een plankenbrug, gelegd over een smalle vaart of wetering, die van nabjj Haarlem af tot aan Noordwijk liep, en van welke, ofschoon meest verzand, nog de sporen te vinden zijn op de plaats, die wij beschrijven. Deze vaart werd niet verre van daar gevoed door een smalle beek, welke het overtollige duinwater aanvoerde, en, alvorens zij zich ontlastte, om een gedeelte der vlakte heenkronkelde en er een soort van afgezonderd vak van maakte, dat nimmer door eenig vee betreden werd, maar tot een lustperk diende, waar de Graaf zich, benevens zijn hofgezin, met onderscheidene spelen en oefeningen ging vermaken, en 't welk daarom 's Gravenmade') heette, welke naam tot heden nog aan die plek gebleven is.

Ten noorden en ten zuiden paalde deze vlakte aan onafzienbare weiden, waarop vette runderen graasden, of waar men jeugdige veulens in zag dartelen; en ten westen aan een heuvelachtigen grond, met schapen bedekt en door kleine partijen kreupelhout om-

geven, terwijl de blanke toppen der zeeduinen zich daarachter verieven en den gezichteinder sloten. Maar, recht voor zich uit, zagen de ruiters het jachthuis, omringd met eeuwenheugende eiken en beuken, waarvan de eerste door hun talrijkheid, door den rijkdom en de menigte hunner takken en twijgen, bijna even weinig doortocht aan de zonnestralen vergunden, als de breede en dichtgebladerde kruinen der laatstgemelde. Geen oord ter wereld levert in den voorjaarstijd zulk een verscheidenheid en menigte op van lieflijk zingende vogels als Holland, en in Holland is er geene streek, waar zij zich in zulk een aantal ophouden als aan den duinkant: en welke plek ook op aarde schooner en rijker aan prachtige of lieflijke tooneelen wezen moge, geen bestaat er, waar de natuur zich zoo bestendig levendig voordoet. Het was dan ook geen wonder, dat Floris de Vijfde, toen hij het bevalligst en best gelegen hoekje gronds, dat in zjjn gebied te vinden ware, had uitgezocht om er een jachtver-

') Made ('t Engelache meadow) ls een groen veld, hiervan ileh vermeier, spelemeien, voor: zich op 't veld vermaken.

Sluiten