Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft en er n blijken van geeft door n alleen deelgenoot mijns geheiras te maken."

,Welaan! — noem uw eisch: en ik zal zien wat ik doen kan."

„Zoudt §ij niet denken, dat driehonderd gulden terstond, en een goede schriftelijke belofte van het dubbele dier som, zoodra ik u in de armen van een rijken, vermogenden vader gevoerd heb, een billijke belooning ware voor hetgeen ik ten uwen gevalle verricht?"

„Ik zal er over denken," zeide Reinout, wien deze eisch, welke in de tegenwoordige dagen onaanzienlijk zal voorkomen, in een tijd toen het geld nog schaarsch was buitengemeen hoog toescheen: „wie weet bovendien, of uw gansch verhaal geen verdichtsel is, uitgedacht om mij geld uit de tasch te halen. Eerst uwe bewijzen of ik beloof u geen penning."

Op dit oogenblik ontstond er een verward gedruis van stemmen en voetstappen buiten de hut, en de hansworst kwam met een angstig geschreeuw binnenstuiven.

„Meester Barbanera! meester Barbanera!" riep hij: „daar zijnmenschen, die u zoeken."

„'t Is mij om 't even!" zeide Reinout: „maar ik laat u niet los, oude! gij zult met mij naar Haarlem." En, de daad bij de woorden voegende, vatte hij den kokeier bn zijn kleed.

„Ja, pak hem maar frisch bij den kraag, heer Ridder! en zorg dat hij niet ontsnappe," kraaide met een schorre stem een klein mannetje, in 't welk Reinout den marktschrijver Claes Gerritsz herkende, die met eenige Grafelijke Ambtsdienaars binnentrad: „Houd hem vast: hij wilde zich wegmaken zonder de marktgelden te voldoen en zonder zijn gelag te betalen, 't geen eene blijkbare overtreding is van het Privilege van Graaf Willem zaliger gedachtenisse, artikel "

„Dat u de duivel hale met uwe Privileges, vervloekte muggen!" riep Reinout, den kokeier loslatende: „ik heb wat met dezen man te verhandelen."

„Indien uwe Edelheid borg voor hem wil stellen," zeide Claes Gerritsz, „zullen wii dien gaarne aannemen, volgens art. 27 van het Privilege; maar het zal dan noodzakelijk zijn, dat UEd. ons naar Haarlem vergezelt, ten einde aldaar ten overstaan van Schepenen "

„Welk een gereutel over eenige voddige grooten, die a de man misschien schuldig is," zeide Reinout: „kunnen wij hier de zaak niet tot effenheid brengen?"

„Veroorloof mij, u te zeggen, Heer Ridder!" zeide de marktschrijver, „dat dit klaarblijkelijk zou aandruisen tegen alle gebruiken en usantie in zoodanig geval; daar de schuld nog moet vereffend worden ten genoegen van beide partijen, en deze man ons derhalve volgen moet naar Haarlem, waar bovendien nog andere zaken tot zjjn last zijn, als: dat hij een geneesmiddel verkocht heeft aan Geurt Kneliszen, waar al zijn koeien van gestorven zijn, en een ander aan de vrouw van den rooden slachter, waardoor haar oog gezwollen is als een pad, al 't welk strafbaar is met gevangenis, ingevolge art "

Sluiten