Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Graaf zijn toespraak had opgenomen, dat hij eenige oogenblikken stom bleef, en zonder te weten wat h}j deed, met de linkerhand zijn sabelknop omvatte, als vreesde hij een dadelijken aanval.

Beaumont, die als des Graven goeden engel altijd a»n z(jn zijde stond, haastte zich, hem zachtjes in 'toor te fluisteren:

«Bedenk wat gij doet: wees bedaard, en herinner u, dat wij ons gecne nieuwe vijanden op den hals behoeven te halen."

Deze welmeenende raad diende slechts om olie in het vuur te gieten: „De duivel hale alle bedaardheid!" riep de Graaf: „wat ben ik? wettig Heer van deze landen? of een speelbal in de handen mijner onderzaten? Wij hebben ons genoeg verlaagd: lang genoeg de plompe onbeschaamdheid van een vazal verdragen, die net er op toelegt, ons in 't aangezicht te beleedigen. Bij Sint-Japik! hadden wij ons ridderwoord niet gegeven, van het tweegevecht van morgen niet te zullen beletten, deze Seerp Van Adeelen ware reeds lang in den kelder van ons huis in 's-Hage geworpen."

Adeelen, die zijn vrijmoedigheid-inmiddels teruggekregen had, was op het punt van den Graaf een haastig antwoord toe te duwen, toen Aylva met een bedaarden doch vasten stap voor hem trad, en hem met de linkerhand afweerde.

„Graaf!" zeide hij: „zoo Seerp Van Adeelen u hedenmorgen beleedigd heeft, ik ben er verre af, partij voor hem te kiezen en hem te verschoonen. Maar wij konden Dillijk verwachten, dat wij aan het hof des zoons van Willem den Goeden, des meesters der Koningen, des volmaaksten Ridders van Europa, die gastvrijheid zouden zien betrachten, waarop wij als genoodigden en als de waardigheid van afgevaardigden bekleedende, welke bij alle beschaafde natiën in achting is, aanspraak vermeenden te kunnen maken. Daar dit echter het geval niet is, zoo zullen wij uwe Genade van een gezelschap ontslaan, dat hinderlijk schijnt geworden te zijn."

De Graaf hoorde deze toespraak aan, zonder den Fries in de rede te vallen en zonder eenig blijk van ongeduld te geven, dan dat hij op den knop van zijn wandelstok beet, een bezigheid, waarmede hij voortging toen Aylva gesproken had, zonder dezen eenig antwoord op zijn rede te geven. Aylva was dan ook gereed met een buiging verlof te nemen, toen Beaumont tusschen beiden trad en nem weerhield.

•Bljjf, edele Aylva!" zeide hij: „blijf, waardige Abt! u kunnen de woorden des Graven niet gegolden hebben. O mijn edele Neef! deze edellieden, deze vrome Abt zijn uwe gasten. Laatnen niet vertrekken met een slechte herinnering aan uwe vorstelijke gastvrijheid."

„Wij hebben hen niet gehinderd daarvan gebruik te maken," zeide Willem, op een hoogen toon: „doch het was tijd, dat zij een les ontvingen, hoe zich in onze tegenwoordigheid te gedragen. Onze Herauten hadden hen beter behooren te onderrichten."

Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich met een haastigen tred en ging naar de Gravin, die zich, op een geruimen afstand van daar, in 't midden van een stoet van hooge genoodigden en adellijke Jonkvrouwen bevond. De meeste omstanders volgden den Graaf; maar

Sluiten