Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ontvangt van niemand bevelen dan van den Keizer, zijn wettigen Heer. wij willen uwe wenschen niettemin aan onze lastgevers over-

brengen.'1

„Wat de erfdochter van Dekama betreft," vervolgde de Graaf, alsof hij op de woorden van Aylva geen acht had geslagen, „wij zullen haar in het Rijnsburger klooster een veilige verblijfplaats verschaffen, tot wij een echtgenoot, harer waardig, gevonden nebben. Onze bevelen zijn daaromtrent gegeven. Gij kunt zonder haar vertrekken."

,Graaf!" riep Aylva verontwaardigd uit: „gfl zoudt "

„Laat hem, zeide Adeelen, hem in ae rede vallende: „zjj is niet beter waardig dan een pluimstrijkster des dwingelands te

huwen."

,Wat o betreft, Seerp Van Adeelen!" zeide Willem: „wij hebben u reeds meer vergund dan met onze waardigheid strookt: wij hebben uwe onbeschaamde taal herhaalde reizen met geduld aangehoord en uwe uitdaging aangenomen; maar na de gunst moet ook het recht zijn beurt lebben. Wij hadden u als overwonnene buiten het krijt kunnen laten werpen, uwe wapenen doen aan stukken slaan en u vervallen van uw adel verklaren; maar wij vergenoegen ons, met uw sloten, landgoederen en bezittingen verbeurd te verklaren, en u voor eeuwig uit onze Staten te bannen. Dank het vrijgeleide, dat de wetten van het tornooispel u schenken, zoo wij uwe oproerige handelingen niet met den dood straffen, dien zjj verdienden.

„Ik zal afwachten," zeide Adeelen, met meer bezadigdheid dan hem gewoonlijk eigen was, en op een toon, die naar spotternij zweemde, „wanneer uwe zendelingen van mijn erfgoed bezit komen nemen, ten einde hen naar behooren te ontvangen.

Maar de Graaf had deze schampere taal niet meer gehoord: zich zonder verdere groete omwendende, had hij met de zijnen het vertrek verlaten. In 't heengaan echter kon Beaumont niet nalaten, de hand van Aylva te drukken: „helaas!" fluisterde hij hem in: „wat ik gevreesd heb is bewaarheid geworden: de breuk is onherstelbaar: en zoo wij elkaar terugzien, zal het niet dan op het slagveld zijn."

„Hij dwingt ons daartoe," zeide Aylva: „welnu! het zal zijn, zooals het den Hemel behaagt."

Zoodra de Graaf met ae zijnen het klooster verlaten had, namen ook de drie afgevaardigden de terugreize aan. De Abt toch waa nog buiten adem van zijn gedwongen rit naar Haarlem en niet in staat geweest een woord uit te brengen: Adeelen was te zeer vervuld met denkbeelden van spijt en wraak, om acht te geven op zijn ros en liet de teugels achteloos hangen: Aylva huiverde op de gedachte eener ontmoeting met Madzy en zat op middelen te peinzen om haar aan 's Graven dwang te onttrekken. Intusschen had hij, indachtig aan Willems gezegde, dat er de noodige bevelen waren gegeven om Madzy den terugtocht naar Friesland te beletten, den getrouwen Feiko vooruitgezonden, met last om alles tot een spoedig vertrek in gereedheid te brengen.

Sluiten