Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terwijl haar meesteres er Madzy afhielp, eer dezo nog wist of zij blijven zou dan verder gaan. .

„Ik vroeg u, moeder!" zeide vader Syard droogjes, en nog altijd in "den zadel blijvende, „of wij hier vernachten kunnen."

„Komt binnen maar, menscnen," zeide de kasteleines, Madzy met een beschermenden lach op den schouder kloppende: „Kees zal wel zorg dragen voor die knollen."

En inaerda&d, Kees, een hslf bliudö, half lamme boerenknecht, kwam strumpelende voor den dag uit een schuurtje, dat aan de herberg paalde, en vatte post naast zijn medehelpster Trui.

De monnik, ziende dat Madzy zich reeds genoodzaakt zag tegen wil en dank de waardin te volgen, steeg nu ook af: en terwijl de beide dienaars de rossen als in zegepraal naar de stalling voerden, trad hij naar de meesteres en vatte haar bij den arm, juist zooals zij zich gereedmaakte, met Madzy binnen te treden.

„Een oogenblik, vrouw!" zeide hij, haar met een strakken buk aanziende: „voor wij binnengaan, wenschten wij te weten, of er al of niet kans voor ons is hier hedennacht te vertoeven, althans ot gij mijner nicht een slaapstede kunt bezorgen."

„Dat zal de vraag zijn," zeide de waardin: „doch komaan! het oude spreekwoord zegt: er kunnen vele makke schapen in een hok; maar gaat toch binnen, goede lien, wij zullen er in 't voorhuis over praten.

„Neen, met uw verlof!" zeide de monnik, die door de opene deur verscheidene lieden in het voorhuis bijeen zag en zich niet onnoodig aan het gezicht wenschte bloot te stellen, „dat niet: hier geeft gij mij antwoord of wij rijden terstond verder."

„Wel, dat zou toch wat erg zijn," hernam de vrouw, al grinnekenae en zich de handen wryvende: „den Roerdomp voorbij te rijden zonder eens binnen te zijn geweest! neen huisman! dat gaat niet. Het huis is wel mooi vol; doch met overleg komt men wijd; en wi) zullen het wel zoo schikken, dat gij tevreden zijt."

„Mijn nicht is wat vermoeid," zeide de monnik, „en wenschte wel, terstond haar kamer te betrekken, en daar wat te gebruiken.'

„Zoo!" zeide de kasteleines, de onderlip vooruitstekende, en Madzy met een verwonderd gelaat aanziende: „is die deerne te grootschom aan den gemeenen haard te zitten, waar ik de knapste vrouwlui uit den omtrek, ja zelfs deftige poortersvrouwen uit Utrecht en Gouda heb ontvangen: en waar nooit anders dan bescheiden volk wordt toegelaten; en denkt gij dat de herberg van Maaike Jaspersz een klooster of een bijenkort is, waar ieder zijn eigen celletje heeft. „Ik voel mij wat ongesteld," zeide Madzy op een smeekenden toon. De zachte en innemende stem der Friezin scheen eenigen indruk op het hart der waardin te maken: althans zij bracht haar gelaat weder in een vriendelijke plooi, en Madzy op den schouder kloppende: „wij zullen zien," zeide zij: „maar waarlijk; ik moet eens bedenken! — Truitje! is het achterkamertje al besproken?

„Daar ligt de Leidache koopman in lakens al sedert een half uur te ronken," zeide de dienstmaagd, die zich weer by hen gevoegd had: „de man wenschte morgen met den dag weer op reis te gaan.

Sluiten