Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

andere dorpelingen: maar of vrouw Jaspersz er veel zijde bjj spint, daaraan zoude ik haast twijfelen: — hoe dikwijls in 't jaar hoort zij de klank van je geld ?"

„Eilieve! wij zullen elkaar wel eenmaal met gesloten beurzen betalen," zeide Melis, lachonde, „want ik denk haar met Kerstmis te trouwen en dat zal de rekening effen maken: — maar dat tot daar aan toe: die nieuwe gast moet er zoo niet afkomen: — zeg eens paai! wien duivel zoekt gij zoo laat op het dorp ?"

„Ik zoek iemand, die mij met geen nuttelooze vragen zal lastig vallen," antwoordde de monnik, droogweg.

„Dien kunt gij in uw tasch steken, Melisbuur!" seide een der andere landlieden, lachende.

„Ik geloof, dat de vlegel lust heeft, met mij aan 't snijen te komen," zeide Melis, de hand aan het heft van zijn zakmes slaande.

„Foei Melis! een oud man!" hernam degene, die zooeven gesproken had, terwijl hij hem tegenhield.

„Indien hij oud is," zeide Melis, „moest hij op zijn woorden hebben leeren passen en geen onbeschofte taal voeren, wanneer men hem in 't ordentelijke een vraag doet."

„Had hij maar school gegaan Dij mijn aap," merkte een der kermisgasten aan, in wien mijn lezers aan dit gezegde den hansworst van Barbanera zullen herkend hebben: „meester Cezar, dat vrome beest, geeft nooit andere dan bescheidene antwoorden."

Deze geestige zet werd door al de aanwezigen met een luid gelach ontvangen. Vader Syard, zijn eenvoudig maal uit de handen der dienstmaagd aannemende, vergenoegde zich met te zeggen:

„Indien gij, mijn zoon! in de plaats van met ongure dieren, me.t vrome lieden verkeerd hadt, zoudt ge althans de lessen der beleefdheid jegens vreemdelingen beter hebben leeren in acht nemen."

„Hij spreekt bylo of hij een pater ware," zeide Daamke, wiens vroolijkheid verdubbelde. Barbanera, die naast hem zat, zag op dit oogenblik den monnik in 't gezicht, die hem echter niet herkende, daar zij elkander slechts eenmaal aan het ziekbed van Elske gezien hadden, en de kwakzalver thans den wassen neus niet ophad, die hem anders vermomde.

„Een pater!" herhaalde de wapenknecht met een schuinschen blik op den monnik: „hij is dan waarschijnlijk uit hetKarthuizer convent te Arnhem, waar de monniken, zooals men weet, nooit uitgaan dan met een mooi Mariëndaalsch zusje."

„Of het een mooi zusje was, is nog de vraag," zeide de hansworst: „want zij was zoo dichtgestopt als een metworst, toen zij ons voorbijstoof.

„Niet zoo ingestopt," zeide de wapenknecht, „of ik heb een voetje

gezien, dat ik in mijn vuist had kunnen sluiten, en een blank malsch

andje, dat de kruik vasthield. Zeg eens, huisman! is 't je dochter, of je vrouw! want ik wil je wel van je reisgenoot ontslaan, zoo je haar voor een slok verkoopen wilt."

„Dat ware met recht kat in den zak koopen," zeide Daamke.

.Nu, wg konden haar wel eens bekijken gaan," hernam de wapen-

Sluiten