Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik! wie is de ekster, die dat geklapt heeft?" vroeg Arkel, met eenige drift.

.Iemand, die uw vertrouwen schijnt te bezitten, de kokeier Barbanera."

„Ziedaar een waardigen vertrouweling, dien gij mij toekent," zeide de Bisschop met bitterheid.

„Mij dunkt, het is zoo vreemd niet, daar gij beiden ééne kleerkas hebt," hernam Reinout meesmuilende.

«Wij zullen zien. — Heeft Barbanera u ook geleerd, op welke wijze men toegang bekomt tot dit slot?"

„Zoo is 't! — maar wees daarom niet ontevreden op een getrouwen dienaar: hij wist dat ik u spreken wilde: en hij gaf mij daarom de middelen aan de hand om u in stilte te spreken en een opschudding te vermijden, welke u onaangenaam ware geweest."

„En," vroeg de Bisschop, haastig: „heeft die getrouwe dienaar u nog meer verhaald?"

„Veel, wat mij zeiven betreft: niets wat u aangaat."

„Zoo! — en uw naam ?"

„Was tot nog toe Rinaldo van Verona: welhaast hoop ik er een anderen te voeren."

„Inderdaad! — en gij wilt dienst nemen bij de Stichtschen?"

„Misschien! — dat zal van de voorwaarden afhangen."

„Gij verlaat den dienst van Graaf Willem, den meester aller soldaten," zeide Arkel, op een toon, die niet vrij was van spotternij: „om uw arm te leenen aan een hoop luie monniken en dikgebuikte schepenen?"

„Den Bisschop wil ik behulpzaam zijn."

„En weet gij, of de Bisschop, die in verre landen is, den gang der zaken goedkeurt?"

„Ik weet het," antwoordde Reinout, „zoo goed als iemand het weten kan, die het uit zijn eigen mond vernomen heeft."

Dit beweren kwam Arkel een weinig gewaagd voor; want hij herinnerde zich niet, ooit ergens dan op het steekspel van Reinout te hebben gezien of gehoord. Hij vergenoegde zich dus met op een koelen toon te zeggen: „gij kunt des Bisschops meening niet kennen: want ik heb goede redenen te geloovep, dat gij zijn persoon niet kent."

„Ik ken ten minste," zeide Reinout, hem scherp aanziende: „het hooge voorhoofd en den valkenblik der Arkels, 't zij een monnikskap, een ridderhelm of eene kwakzalversmuts die bedekke."

„Ongelukkige!" riep Arkel uit, de hand aan zijn dolk slaande: „gij kent den leeuw en gij durft u wagen in zijn hol?"

„En waarom niet, indien ik mij evenals hij voor de jagers verbergen moet? — maar steek vrij uw dolk op: — van mij hebt gij geen verraad te vreezen. Ik heb uw geheim bewaard, toen ik uw gesprek met den monnik van Sint-Odulf beluisterd had, ofschoon ik toen nog aan den Graaf getrouw was: en ik zal het thans niet verklappen, nu ik zijn dienst heb afgezworen."

„En wie waarborgt mij," vroeg Arkel, „dat gjj niet morgen mijne ziide zult verlaten?"

Sluiten