Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eikeboom en, welke van verre zichtbaar waren, en wier breede kruinen op een schitterende wijze door het zonnelicht bestraald werden. Vrooljjk staken de witte legertenten, die zich van afstand tot afstand vertoonden, tegen het donkere groen af der omliggende bosschages. Nu en dan schitterde hier en daar onder het somber geboomte de glans van een lanspunt of van een helm, die een straal der zon terugkaatste en als een weerlicht in de donderwolk flikkerde. Daar, om die legerplaatsen, heerschten levendigheid en woeling, en boden zich tooneelen aan, nu eens bevallig en schilderachtig, dan weder treurig en hartverscheurend, meestal beide tevens. Men zag vlugge ruiterbenden, door blinkende Ridders aangevoerd, wier veelkleurige banderollen sierlijk boven hun hoofd golfden, heen en weder draven, over de koren- en boekweitvelden, waarvan, helaas! de halmen, voor nog de aren hun wasdom bereikt hadden, waren afgemaaid om tot voeder voor de paarden te dienen: men zag talrijke wagens, beladen met het puin der afgebroken of afgebrande erven en met de takken en tronken van neergehouwen boomen, ter demping der grachten aangevoerd en misschien geleid door de ongelukkige bewoners en eigenaars zeiven, door den onbannhartigen soldaat tot dien arbeid geprest. Men zag krijgslieden zich vermaken met een kegelspel, met den wedloop, met het schieten met den boog; — en daarlangs, hunne in den Krijg gekwetste makkers met karren vol vervoeren. Hier en ginds lagen er nog, die bij den laatsten uitval het leven hadden ingeschoten, en wier lichamen, in slooten _ en greppels, of achter struiken nederliggende, nog door hun krijgsmakkers niet ontdekt waren. Het gevoelige hart van Madzy was door dergelijke schouwtooneelen diep geroerd: en menigwerf wendde zij de oogen van de haar omringende landstreek af, om die naar den blauwen hemel te wenden: „ja!" dacht zij dan bij zich zelve: „hier op aarde is alles woeling en onrust! Daarboven alleen woont vrede."

Terwijl Madzy aldus peinsde, en Feiko, hoe ook brandende van nieuwsgierigheid om eens haar wedervaren recht te verstaan, niet dan met moeite de vragen bedwong, welke op zijn lippen zweefden, en welke de eerbied voor haar neerslachtigheid alleen wederhield, kwam Daamke, wien het gezelschap van den monnik begon te vervelen, hun op zijde. „Nu!" riep hij: „bij Sint-Julfus- zoo die Cistenser broeder al de deugden, die hij betrachten moet, zoogoed waarneemt als die der stilzwijgendheid, is er in het Paradijs geen stoel te goed voor hem; want de vent spreekt evenmin of hij doof en stom ware en laat zoo weinig van zijn bakkes zien als een beurzensnijder, die met een diefleider hetzelfde veer moet oversteken."

„Hij zit met dat al goed in den zadel," zeide Feiko, even omziende: „en ik zou mij bedriegen, indien hij niet meer in zijn leven

fedaan had, dan vigiliën te zingen en missen te lezen: — in waareid!" herhaalde hij, nogmaals omziende: „hjj rijdt puik! puik! de Heer van Aylva zit niet beter te paard." _

En door die warme belangstelling gedreven, die eiken liefhebber van paarden, hoeveel te meer een Frieschen liefhebber, bezielt, kon

Sluiten