Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.Volkomen, Heer Ridder! ik zal voor de Jonkvrouw zorgen ala ware zij mijn liefste," zeide Zweder, met een kluchtige deftigheid.

„Hoe nu, knaap! weet gij ?"

„Uwe Edelheid weet zoowel als ik," antwoordde Zweder, „dat men Jonkvrouw Madzv Dekama niet miskennen zal, wanneer men haar eens gezien heeft. Maar Uwe Edelheid kan op mij staat maken. Ik kan hooren, zien en zwijgen; — daarvoor ben ik page geweest."

Met deze woorden verwijderde de schalk zich uit de oogen zijns meesters, wiens voorhoofd zich reeds begon te fronselen. Want als men verliefd, en hopeloos verliefd is, is men weinig geneigd om jokkernij te verdragen.

Slechts enkele woorden wisselden de beide gelieven na het vertrek van Zweder. Echte liefde en weemoed zijn niet spraakzaam: en wat zouden zjj elkander meer gezegd hebben, dat zij niet reeds wisten of gevoelden? Ja zelfs schenen beiden, als het ware, verlichting te ontvangen, toen het hoefgetrappel en het gebriesch der paarden het uur van scheiden aankondigde.

Deodaat deed een schrede voorwaarts, en de hand van Madzy vattende, drukte hij die met drift aan zijn mond en stamelde een gesmoprd vaarwel. Zij beantwoordde zijn handdruk, zag hem met een blik vol teederheid aan, en haalde toen haar kaper over 't gezicht. Zij traden de tent uit en zagen Zweder met zijn ruiters in den zadel gezeten, en Boudewijn, des Bidders anderen schildknaap, die het paard van Madzy gereed hield. Stilzwijgende besteeg zij het moedige dier.

„Een wakker beestje!" zeide Boudewyn: „maar wat namer, heer Ridder! het gelijkt, als 't eene ei op 't andere, naar den vos, die n ontstolen is."

„Inderdaad!" zeide Deodaat, verwonderd van zjjn paard te herkennen: „maar des te beter!"

Madzv, die het gesprek slechts half gehoord had, wenkte Deodaat vriendelijk met de hand toe en vertrok, door de knapen vergezeld. Op het plein teruggekomen, vond zij er den monnik nog in dezelfde houding bi] zijn paard staan, den hansworst nog altijd treurende over den dood van zijn aap, en haar getrouwen Feiko, <üe er niet weinig gezwollen en verhit uitzag, en vrjj kwalijk ging, 't geen hem met belette Madzy met de luidruchtigste blijdschap te gemoet te komen, en te betuigen, dat hij er gaarne eens zoo slecht ware afgekomen, nu alles zoo gelukkig was afgeloopen.

Onze vier reizigers gingen nu weder onverhinderd op weg, onder geleide van Zweder, die hen ingevolge het bevel zijns meesters tot Amersfoort vergezelde, van waar zij de Eem afzakten en een visscherspink afhuurden ten einde hen naar Friesland over te voeren. Wjj zullen hen intusschen vooruitreizen, en daar dit Hoofdstuk reeds lang genoeg is geweest, in een volgend onderzoeken hoedanig de staat in Friesland gesteld was.

Sluiten