Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Madzy Dekama!" zeide Adeelen, toen hij haar genaderd was: wenschen den Olderman te spreken."

»pat mag niet geschieden," zeide zij: „de arts heeft het stellig verboden.

.Zijn wij van dat verbod niet uitgesloten? het kan een ouden getrouwen vriend immers niet betreffen ?"

„Het betreft iedereen, wie hij ook wezen moge. De zieke is nog zwak en moet alle aandoeningen mijden."

„Gij zult toch," zeide nu Reinout, „den zoon niet blijven weigeren, de sponde zijns vaders te naderen."

„Meer dan iemand," antwoordde Madzy, zonder hem te durven aanzien: „was het niet het onverwacht hervinden van dien zoon, dat hem in die krankheid stortte? Zoo gij den man niet dooden wilt, vertoon _u dan niet aan hem, voor hij u ontbieden laat."

De beide jongelingen zagen elkander eenige oogen blikken besluiteloos aan.

„Gelooft mij," vervolgde Madzy: „dringt heden niet aan op een onderhoud, dat geene andere dan schadelijke gevolgen kan mei zich sleepen. Zoodra mijn waarde voogd zijn krachten heeft terugbekomei, twijfel ik niet, of hij zelf zal net onderhoud verlangen, dat hij nn niet in staat is te verduren."

„Welnu!" zeide Adeelen: „indien gij den ouden Heer achter de traliën wilt houden, dienen wij ons te onderwerpen. Dan, rn^jn boodschap is nog niet geëindigd: — gij hadt mij vroeger rechten op uw hand geschonken: ik kom u die teruggeven."

rjk dacht dat gij dit reeds gedaan hadt, Seerp Van Adeelen!" zeide Madzy, op een fleren toon: „althans, na het gedrag, door u te Haarlem gehouden, beschouwde ik mij niet langer aan u verbonden."

„Des te beter! Ik herhaal het slechts, opdat gij weten zoudt, dat gïï, zonder vrees van mij te verstooten (een vrees, die juist nooit zeer zwaar bij u gewogen heeft) de ooren kunt leenen aan den zoeten praat van dezen Ridder."

„Adeelen!" riep zij verontwaardigd uit: „ik ben geen koopwaar, welke men van de eene in de andere hand kan doen overgaan."

„Ziedaar een punt, waaromtrent uw laatste reisavonturen nog eemgen twijfel zouden kunnen doen ontstaan. Een juffer, die nu met dezen, dan met genen Ridder over 's Heeren wegen reist, die weken lang bij een Edelman huisvest, welke Edelman noch haar man, noch haar broeder, noch haar voogd is, die bij schoone Ridders in hun eigen tent bezoeken gaat afleggen, moest, dunkt mij, liever over zulke glibberige punten heenstappen."

De oogen van Madzy flonkerden van verontwaardiging, terwijl zij beurtelings van Adeelen naar Reinout dwaalden. — „Neen!" borst zg eindelijk uit: „zulk een afschuwelijk samenweefsel van laster werd nooit gesponnen! Ridder Reinout! zijt gij de verspreider dier geruchten? zoo is uwe ziel nog zwarter, dan ik mij die had voor-

festeld. — Maar neen! zoo boosaardig kunt gij niet zijn. U is het ewust, u kan het althans bewust zijn, dat, zoo de schijn mij al beschuldigt, mijn eer zonder vlek of smet is gebleven. Zeg dien

Sluiten