Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hetgeen aan het Roode Klif had plaats gehad, was slechts een toonbeeld der verschillende ontmoetingen, welke den Hollanders bij hon landing aan de Friesche kust ten deel viel, zoo ten noorden v?n Stavoren, waar Adeelen hen opwachtte, als in Gaasterland, waar , r bsnden van Helbada en Fadinga verslagen werden. In stede van, gelijk het welberaamde plan met zich bracht, haar manschappen gelijktijdig aan wal te zetten, had de vloot die niet dan "ii gedeelten kannen ontschepen: zoodat die van het eene vaartuig reeds vermeld was, eer die van het volgende haar te hulp kon komen. Wat den Graaf betrof, hij had, gelijk wij vroeger vermeld hebben, de reede van Enkhuizen verlaten om op het brandende Nor wert aan te zeilen, en hierdoor het voordeel gemist om zich met Beaumont te kunnen vereenigen, gelijk ontwijfelbaar geschied ware, indien hij op den zuidkant van Stavoren had aangehouden. De ontscheping was niet dan uiterst langzaam geschied; daar het in de eerste plaats duistere nacht was, en ten tweede het aan wal brengen van de paarden, die in grooten getale op 's Graven schip aanwezig waren, een lang oponthoud veroorzaakte.

Het was ongeveer met den dag, dat de manschap van 's Graven vaartuig en van eenige andere schepen, die hem het naast gevolgd waren, op de zandplaat buiten den dijk stonden geschaard. Met een strakken, somberen blik beschouwde Willem de verzamelde Ridders en wapenknechten: zii waren nauwelijks zeshonderd in getal. Hij reed zwijgende de gelederen door: en menig oorlogsman, die hem vroeger in het vela gevolgd, en getuige geweest wa3 van den opgeruimden blik, waarmede hij anders gewoon was, zijn heirscharen te begroeten, van de opwekkende toespraken en vroolijke gezegden, welke anders van zijn lippen vloeiden, en van den moed, die alsdan elk bezielde, door het vertrouwen, hetwelk hij aan de zijnen wist m te boezemen — voelde een angstige huivering door ziin aderen waren, als hij het gedrag, thans door den Graaf gehouden, bij zijn houding van vroegere dagen vergeleek.

Gedurende eenige oogenblikken liet Willem zijn oogen in 't rond weiden, ten einde zijn plan van aanval te maken. Hij sloeg nogmaals den blik naar den kant van Sint-Odulf, dat nu in volle vlam stond. Dit schouwspel, hetwelk hem onder het ontschepen reeds getroffen had, deed voor een oogenblik zijn oogen weer flikkeren van net vuur der hoop. Hjj hief zich rechtop in den zadel, en naar het brandende klooster wijzende, zeide hij tegen Teylingen:

»Gij ziet het! daar zijn de onzen nog meester."

«God geve!" antwoordde de bezorgde Edelman, „dat het de lijktoorts onzer vrienden niet zjj. Ook hier brandt nog een dorp," (en hij wees op de smeulende puinhoopen van Norwert) .maar waar zün de handen, die het aangestoken hebben?"

«Wellicht reeds in het binnenland," zeide Walcourt, «en bezig om dien troep van dorpers voor zich uit te jagen. Waarom zou men zich altijd het zwaarste voorstellen? Ziet gij hier ergens een ▼3«u»d, die ons het inrukken zou beletten?"

«Gij zjjt een vreemdeling," hernam Teylingen, ,en kent den aard

Sluiten