Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het geschrift, dat het u bewijst, de brief zijner moeder: en zoo wjj u dien bedekt hielden, het was, omdat wij den jongeling als verloren beschouwden."

„Ik kan niets lezen," zeide Aylva, diè, overstelpt van aandoeningen, in een zetel was neergezonken en vruchteloos de letters poogde te ontcijferen, die voor zijne van tranen glinsterende oogen schemerden: „maar wat behoef ik ook iets te lezen? mijn hart had het mij immers gezegd!"

„En behalve de getuigenis van uw hart," hernam Arkel, „hebben wij_ ook die van Reinout, die op zijn terugtocht met Beaumont de Kmnder aandeed, en edelmoedig genoeg was, om te erkennen, dat hij alhier in zijn dwaling een recht had uitgeoefend, dat aan zijn vriend toekwam. Hij is echter getroost verder gereisd; want hij heeft aldaar tevens de zekerheid bekomen, dat hij de wettige zoon was van Bianca's vertrouwde kamenier, en niet van dien verdoemden kwakzalver Barbanera."

„Barbanera heeft in zijn stervensuur berouw gehad," zeide vader Syard: „het oordeel over hem komt Gode alleen toe."

„Uwe bestraffing is billijk," zeide de Bisschop: „en ik verdien haar. Maar mijn waarde Olderman! hoe zit gij toch die naamteekening op den brief zoo te kussen. Zoudt gij niet liever uw Bianca zelve aan 't hart drukken? — Ik verzeker u, zij is het nog wel waardig."

„Bianca!" riep Aylva, opstaande en wankelende naar den Bisschop toetredende: „nog wel waardig! gij hebt haar dan gezien?.... o Hemel!.... die vreemde dame, die hier met u.... Hoogwaardigste! zp gij een engel of een mensch?"

„Zij kon niet in Friesland komen," vervolgde Arkel, dat vraagpunt in 't midden latende, „eer de rust hier was teruggekeerd en ik had op mij genomen, haar tijding te zenden, zoodra gij gereed zondt zijn, haar te ontvangen, en u op de wederzijdsche ontmoeting voor te bereiden."

Aylva hoorde niets meer; hij snelde de trappen af: en weinige oogenblikken later lag hg in de armen van zijn gade en van hun zoon.

Lange jaren waren voorbijgeloopen en de hand des tijds had de moesten van hen, die in onze geschiedenis een rol gespeeld hadden, van het wereldtooneel afgevaagd, toen een vreemdeling, door een enkelen dienaar gevolgd, op een fraaien zomerdag, langs den kronkelenden weg, die van Harlingen naar Bolsward geleidt, kwam aangereden. Beiden schenen reeds bejaarde lieden: maar de gelijkvormige bruinheid van hun gelaatstrekken, welke ten gevolge van de uitwerking, door lucht en zonnebrand daarop teweeggebracht, hard als perkament waren geworden, zoowel als de breede en veelvuldige litteekens, welke wang en voorhoofd versierden, toonden aan, dat niet alleen de tijd, maar ook de wisselvalligheden van den krijg het hunne hadden bijgebracht, om hun lokken en baard te doen vergrijzen. Het uiterlijke van den dienaar had niets buitengemeens; maar dat des meesters was wel geschikt om de opmerkzaamheid*

Sluiten