Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 8, 9.

3. Sla ik naar 'truim der heldre hemelbogen, Dat heerlijk werk van Uwe vingren, de oogen;

Zie ik bedaard den glans der zilvren maan, En 't starrenheir, door U geschapen, aan:

4.Mijn God, wat is de mensch dan op deze aarde! De brooze mensch! hoe klimt hij tot die waarde,

Dat Gij aan hem in zooveel gunst gedenkt, En 's menschen zoon Uw teèrste liefde schenkt.

PAUZE.

5. Gij deedt hem wel, een weinig tijds, beneden Het englenheir een rang en plaats bekleeden;

Maar hebt hem ook Uw rijkste gunst betoond, En hem met eer en heerlijkheid gekroond.

6. Gij geeft hem, wijd en zijd in alle landen, De heerschappij der werken Uwer handen,

Ja zet en aard en zee voor 's menschen zoon, Door Uw gezag, ter voetbank van zijn troon.

7. Waar schapen zijn, of ossen in do weiden;

Waar eenig vee op bergen zij of heiden;

Waar 'twild gediert ook zwerve in wouden veld: Gij hebt het al in Zijne macht gesteld.

8. Wat voo-.leu door den ruimen luchtkring zweven: Wat visschen er in stroom en beken loven:

En wat de paan doorwandelt van de zee:

Zijn hoog bevel deelt hij aan allen mee.

9.Heer, onze Heer, grootmachtig Opperwezen! Hoe billijk wordt Uw groote naam geprezen!

Hoe heerlijk rolt, uit aller vromen mond, Die groote naam door 't gansche wereldrond!

1 = d. PSALM 9.

2*226* i *7 7 6* i *7*6*53

Ik zal mot al mijn hart den Heer, Blijmoe - dig, ge-ven

4*5*6* 6 * 1 i 2*6*1 17*6*3

lof en eer; Mijn tong zal mijn ge- moed verzei- - Ion, En

4*6*5 3 4 5 3*2*

ai U*v won-de-ren ver-tel - len,

Sluiten