Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 19, 20.

5. Des Heeren vrees is rein; Zij opent een fontein

Yan heil, dat nooit vergaat.

Zijn dierbre leer verspreidt Een straal van billijkheid.

Daar ze alle onwaarheid haat. Ze is 't menschdom meerder waard, Dan 't fijnste goud op aard;

Niets kan haar glans verdooven; Zij streeft in heilzaam zoet, Tot streeling van 't gemoed, Den honing ver te boven.

6. Dus krijg ik van mijn plicht, O God! een klaar bericht.

Wat is 'tvooruitzicht schoon! Hij, die op U vertrouwt,

Uw wetten onderhoudt,

Vindt daarin grooten loon.

Maar, Heer! wie is de man, Die, op 't nauwkeurigst, kan Zijn dwalingen doorgronden? O Bron van 't hoogste goed, Wasch, reinig mijn gemoed Van mijn verborgen zonden.

7. Weerhoud, o Heer! Uw knecht, Dat hij zijn hart niet hecht' Aan dwaze hoovaardy:

Heersclit die in my niet meer, Dan leef ik tot Uw eer, Van groote zonden vrij.

Laat U m\jn tong en mond, En 's harten diepste grond Toch welbehaaglijk wezen; O Heer, die mij verblijdt,

Mijn rots en losser zyt!

Dan heb ik niets te vreezen.

1 = d. PSALM 20.

6*6 5 6 i 7 6 5*6 • 4 4 4 3

Dat op uw klacht de he-mel scheu-re! Dat zich de Heer

2 1 • 4*5 6 7 6 5 4 3*2* 4 3 2

ont-dekk'! De God van va-der Ja-kob beu re U m een

2 * 2* 2*66 5 5 61 7*6* 1*

hoog ver-trek! Hij doe in gunst-rijk wel-be-ha - gen, Uit

Sluiten