Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 21, 22.

9. Dan doet Uw toornig aangezicht

Hen, als een oven, rooken,

Door 't heetste vuur ontstoken; Dan wordt in 's Heeren strafgericht De gloed, die hen verteert,

Met vlam op vlam vermeêrd.

10. De vruchten van hun huwlijksbed

Zult Gij van de aard verderven En doen door rampen sterven; Totdat men, waar men zoeke of lett', Geen nakroost meer bespeurt, Dat hunnen dood betreurt.

11. Want tegen U heeft dit geslacht

Een godloos kwaad besloten; En, met zijn bondgenooten, Een schandelijke daad bedacht;

Doch al dat listig woên Zal leed noch hinder doen.

12. Want Uw alziend en toornig oog

Zal hen ten doelwit zetten;

Gij zult Uw pijlen wetten,

En doen ze, van Uw stalen boog, Tot hun verderf gericht, Hun vliegen in 't gezicht.

13. Verhoog, o Heer! Uw naam en kracht,

Zoo zal ons vroolijk zingen Door lucht en wolken dringen: Zoo wordt Uw heerschappij en macht Door ons, nog eeuwen lang,

Geloofd met psalmgezang.

I = PSALM 22.

1 • 6 • 2 • 1 14 4 3*2*1*5*1 2

Mijn God! mijn God! waar-om ver-laat Gij mij, En redt mij

3*3*2 1 6*6*7* 1*2 3 ? ^ 4

niet, ter-wijl ik zwoeg en strij, En brul-lend klaag in deangst-

3 2*2*1* 3*2 1 7*6* 3*3 3 2*

sten, die ik li), Dus fel ge-sla- gen? 'tZ« ik, mijn God!

5*1 2 3 4 3*2* 3*3 3 6 * 7*1

b'ü dag moog bit • ter kla-gen, Gij ant-woordt niet;'t Zij ik

2 3 2 1*7* 5*6 7112 3

des nachts moog ker-men, Ik heb geen rust, ook vind ik

4 3 2*1* 3*2*7* 6•

geen ont • fer- men In mijn ver - driet.

Sluiten