Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 30.

2. Mijn God! Gij hebt mij, op mijn klacht, Genezen, en mijn smart verzacht;

Gij hebt. mfln ziel, door angst beroerd, Als uit het graf weer opgevoerd ; Gij hebt het leven mij geschonken,

Ik ben niet in den kuil gezonken.

3. Psalmzingt, Gods gunstgenooten! geeft, Geeft lof den Heer, die eeuwig leeft! Zijn vlekkelooze heiligheid

Zjj ter gedachtenis verbreid: Een oogenblik moog' ons doen beven Zijn gunst verduurt een eeuwig leven

4. Perst eens de bittre tegenspoed, Des avonds, het benauwd gemoed Tot naar gejammer en geklag;

Nauw rijst des morgens vroeg de dag,

Of God verleent, in plaats van lijden, Weêr stof tot juichen en verblijden.

PAUZE.

5. Ik sprak, door mijn geluk misleid: „Ik wankel niet in eeuwigheid."

"Want Gij hadt mijnen berg, o Heer ! Door Uwe gunst, Uw naam ter eer,

Zoo vast gezet, alsof gevaren En rampen nu verdwenen waren.

6. Maar, toen Ge U slechts een oogenblik Vorborgdet, trof mij vrees en schrik; Dies riep ik om Uw heilgenot;

Ik smeekte en zeide; „o groote God! „"Wat winst is uit mijn bloed te halen ? „Waartoe zou ik ten grave dalen ?

7. „Zou in den kuil 't ontzielde stof „Den mond ontsluiten tot Uw lof, „En van Uw redding zingen? Zou „Het daar verkondigen Uw trouw ?

„Hoor mij, o Heer! help mij genadig: „Bekroon mij met Uw gunst gestadig."

8. Gij hebt mijn weeklacht en geschrei Veranderd in een blijden rei:

Mijn zak ontbonden, en mü weêr Met vreugd omgord, opdat mijn eer Niet zwijg': zoo klimt Uw lof naar boven. Mijn God! U zal ik eeuwig loven.

Sluiten