Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 81, 32.

3. PAUZE.

14. Beschaam, verschrik de goddeloozen;

Verstom hen in den dood.

Och of Uw almacht sloot De valsche lippen van de boozen, Die, stout en trotsch, verachten Hen, die Uw wet betrachten.

15. Hoe groot is 't goed, dat G\j zult geven

Hem, wiens oprechte geest

Op U betrouwt, U vreest!

Hoe groot is 'theil, dat Ge in dit leven, ■Ver boven bede en wenschen,

Reeds wrocht voor 't oog der menschen.

16. Gü zult Uw volk een schuilplaats wezen:

Gij bergt hen in het licht Van 't godlijk aangezicht,

Daar zy geen leed van trotschen vreezen; Een hut, waarin zij t woelen, Den twist der tong niet voelen.

17 Geloofd z« God, die Zijn genade Aan m;j heeft groot gemaakt;

Die voor mvjn welstand waakt:

Z«n oog slaat mij in liefde gade;

Hij wil m\j heil bereiden;

Mij in een vesting leiden.

18. Ik heb, te moedloos neergebogen,

En door de vrees gejaagd,

Weleer te ras geklaagd :

,,'kBen afgesneên van voor Uw oogen. Dan, nog woudt Ge U ontfermen,

Toen Gij mij hoordet kermen.

19. Bemint den Heer, Gods gunstgenooten,

Den Heek, die vromen hoedt,

En straft het trotsch gemoed:

Zijt sterk; Hij zal u niet verstooten; Hun geeft Hij moed en krachten, Die hopend op Hem wachten.

1 _ d. PSALM 32.

1«3«4*5*5*5 3 4 5 6*5* 4 3 3

"Wdl-za - lig hij, wiens zon-den zijn ver-ge-ven, Die van de

2*5*6 5 4 3 2*1* 1* 3 4 5*5*

straf voor eeu-wig is ont * he- ven; Wiens wan-be-dryf, waar-

Sluiten