Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 35.

7. 'k Had om mijn haters 't kleed gescheurd, Als een, die om zijn moeder treurt;

Maar als ik moest met rampen strijden, Verheugden zij zich in mijn lijden. Z(j kwamen schielijk op mij af,

Eer iets mij zulks te kennen gal. Elk spotte met mijn zielsverdriet, Hun valsche tong bedwong zich niet.

8. Bij dartle brassers aan den disch,

Wien 'thuichlend spotten eigen is,

Waar lastertaal mij snood onteerde, Was vreugd om 't onheil, dat mij deerde. Hoe lang zult Gij zulks zien, o,God! Vergun mijn ziel een beter lot;

Verlos haar, door Uw sterke hand, Uit dezer leeuwen klauw en tand.

2. PAUZE.

!>. Ik zal, in tegenwoordigheid

Van 'tgroote volk, Uw Majesteit De erkentnis van mijn hart bewijzen: 'k Zal U voor aller oogen prijzen.

Dat zij dan, die mij zonder reen Vervolgen, om mijn tegenheên Niet juichen, noch in hunnen waan, Op mvi hun schimpende oogen slaan.

10. Zü spreken nooit van vrede; neen!

Maar zij bedenken listigheên.

Ten val van hen, die, stil van zinnen, Den vrede, 't dierbaarst pand, beminnen. Zij bassen me aan met open mond; Hun schimptaal, die mijn ziel doorwondt, Bespot mijn leed; zjj zijn verheugd Op 't zien van al mvjn ongenougt.

11. o Heer! Gij ziet het; zwijg niet stil! Uw recht beslisse mijn geschil.

Ontwaak, treed toe tot myn bescherming • Mijn God! betoon mij Uw ontferming; Doe mij, o hoogste Majesteit!

Eens recht naar Uw gerechtigheid, En laat die wreeden, dag aan dag,

Niet juichen om mijn droef geklag.

12. Laat hen niet zeggon in het hart:

„Geluk, mijn ziel! hij is benard!"

Men hoore nimmer uit hun monden: „Wij hebben hem in 'teind verslonden

Sluiten