Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 48,49.

Van Tarsis' vloot in zee vernielen. Wij zagen, 't geen onze ooren Voorheen slechts mochton hooren, In deze stad, den troon der eer Van God, der legerscharen Heer ;

Hij zal, door macht en klooke daan, In eeuwigheid haar vast doen staan.

PAUZE.

4. Wij, o verhovon Majesteit!

Gedenken Uw weldadigheid,

In 'tmiddon van Uw heiige woning. Gelijk Uw naam is, groote Koning, Bü ons terecht geprezen,

Zoo is uw room gerezen,

En bij de volken zeer vermaard,

Tot aan het uiterst eind der aard. Uw rechterhand, die 't kwaad niet duldt, Is met gerechtigheid vervuld.

5. Dat Sions berg weorgalm' van vreugd ; Laat Juda's dochters zijn verheugd:

Wijl Gij haar vijand sloegt in 'tstrijden. Gaat Sion rond aan alle zijden;

Telt al do vestingwerken En torens, die 't vorsterken;

Ja ziet, met een oplettend oog,

Paleizen steigren hemelhoog,

En stout verduren al 't geweld,

Opdat gij 'taan uw kroost vertelt.

6. Want deze God is onze God;

Hij is ons deel, ons zalig lot,

Door tijd noch eeuwigheid te scheiden. Ter dood too zal Hij ons geleiden.

1 = g. PSALM 49.

1*1*2 • 3 3 432*2*1* 5*5

Gy, vol-ken! hoort, waar ge in de we-reld woont, 'tZvj laag

4 3•5«4 3 3 2 3 * 3*3 3 2*3*

van staat of hoog, mot eer be-kroond; 't Zij rijk of arm, komt,

43217*1*6 2 1* 3*2 1

!uis-tert naar dit w'oord, Mijn mond brengt niets danlou-tre

1 7 1* 5*6 7 1 * 3*5 5 4 4 3*

wys-héid voort, Bij mij in 't hart op-merk-zaam o-ver-dacht.

Sluiten