Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 73.

Dies zijn zü trotsch, en doen den waan, Gelijk een gouden keten, aan:

't Geweld, dat deugd en plicht versmaadt, Bedekt hen, als een praalgewaad.

4. Indien men op hun voorspoed let, Hun oogen puilen uit van vet;

Hun weelde, wat zij zich heioven,

Gaat hun verbeelding nog te hoven. Zij mergelen de menschen uit, En spreken, trotsch op roof en buit. Steeds uit de hoogte van hun macht, Terwijl hun hart de deugd helacht.

1. PAUZE.

5. Hun mond tast zelfs den hemel aan,

Gods alhestuur schijnt hun een waan;

Terwijl hun tong OP aarde wandelt.

Geen mensch ontziet, maar elk mishandelt. Daarom keert zich Gods volk hiertoe, En schrikt, wanneer hun, hang te moe, Het water, daar hun niets gelukt, Met bekers vol wordt uitgedrukt.

6. Dan peinst de ziel: is 't waar? zou God Ook weten van mijn droevig lot?

Zou de Allerhoogste van mijn klagen En bittre rampen kennis dragen ?

Ziet dezen, hoe godloos en wreed,

Zijn evenwel bovrijd van leed;

De rust volgt hen op al hun paan, En hun vermogen groeit steeds aan.

7. Zoo heb ik dan vergeefs gestreên;

Mijn hart gezuiverd, en gebeên;

Vergeefs heb ik in reine plassen Van onschuld mijne hand gewasschen: Want al den dag ben ik geplaagd;

Mijn ziel verschrikt, mijn boezem jaagt; En nooit verscheen er morgenstond, Waarop ik geen kastijding vond.

8. Zoo ik dit zeggen staven zou,

Gewis dan ware ik niot getromv

Aan 't waard geslacht van Uwe kinQren, En zou hun hoop on moed vermindren. Nochtans heb ik, met al myn kracht, Die Godsregeering overdacht;

Maar 'twas een stuk, dat in mijn oog Mij moeilijk viel en veel te hoog.

Sluiten