Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 78.

16. Ziedaar Gods toorn, gelijk een vuur ontstoken; Zijn eer werd op hun maehtigston gewroken,

Daar plaag op plaag geweldig nodervelden

't Aanzienlijk deel, hot puik van Isrels helden. Maar 't volk ging voort, hun ongeloof'hield aan; God had vergcels Zijn wonderen gedaan.

4. PAUZE.

17. Daarom deed Hij in ijdelheid hun dagen Vergaan, en, door een reeks van felle plagen, In schrik en angst hen slijten hunne jaren.

Maar bracht Hy hen opnieuw in doodsgevaren,

Dan vraagden zij naar God, en keerden weer, En zochten vroeg uit bange vrees den Heer.

18. Dan dachten zij, hoe 't eeuwig Opperwezen Hun Rotssteen was, en hoe in angst voordezen De hooge God verlossing had gezonden;

Dan vleiden zij Hem valschlijk mot hun monden, En bukten laa;_', omdat de nood hen drong,

Maar logen Hom met hun goveinsde tong.

19. Hun hart was boos, vervuld met slinksche streken; Van Zijn verbond was groot en klein geweken; Doch God vergaf barmhartig- hunne schulden, Verdierf ze niet, schoon zij de maat vervulden;

Hij wendde zelfs Zijn gramschap dikwijls af, En wekte nooit Zijn gansche wraak ter straf.

20. Hij dacht in gunst, door hunne ramp bewogen: Zü zijn toch vleesch, zij hobben goen vermogen; Zij zijn een wind, die gaat en nooit zal keeren. Hoe dikwijls dorst hun wrevel God onteeren!

De wildernis zag door hun booze paan Hem bitterheên en smarten aangedaan.

5. PAUZE.

21. Want elk ging voort in God op 't snoodst te tergen, Een nieuw bewijs van Zijne macht te vergen; Den heilgen God van Israël te kwellen,

En paal en perk aan Zijne daan te stellen; Zij dachten niet aan dien doorluchten tijd, Waarin Gods hand hen had van 'tjuk bevrijd.

22. Hoe Hü Zijn oog op hen had neergeslagen,

Egypte van Zijn teekenen deed wagen,

En Zoans veld, daar Hü hen af wou zondren. Een streng tooneel deed worden van Zjjn wondren; Daar poel en beek, en groote en kleine vloed Ondrinkbaar werd en niets dan walglijk bloed.

6*

Sluiten