Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 107, 108.

En 'thuis vervult met kindren;

En 'tvee, dat ieder heeft, Op 't veld niet doet vermindren.

20. Maar wil dit volk niet hukken

Voor God, 'tword ras verneêrd; 't Raakt te onder door verdrukken;

Hot wordt van 't kwaad verteerd,

Daar Hij zelfs prinsen slaat, Op wie Hij hoon doet dalen,

En die H\j tot een smaad Doet in het woeste dwalen.

21. Maar die nu hulploos kermen,

Verdrukt en vol gebrek,

Brengt God, door vr\j ontfermen,

Haast in oon hoog vertrok.

De vruchtbaarheid verheugt Hun huis van ganschcr harte;

De oprechten zien 't met vreugd, Maar de ondeugd zwijgt met smarte.

22. "Wie wijs is, merk' dio dingen,

En goev' verstandig acht Op 's Hekken handelingen,

Zoo vol van gunst als macht.

1 = g. PSALM 108.

1 • 4 4 3 2 1*7*1 • 1*1 4 3 2 3*

Mijn hart, o He-mel-ma-je-steit, Is tot Uw diensten lof

4* 5* 3*5 5 4 3 2*1*7* 5*6

be - • reid; 'k Zal zin-gen voor den Op- - per-heer; 'k Zal psal

7 12 1*7*1* 3*3 2 1*4*3 2 3*

men zin-gen tot Zijn eor! Gij, zacli-te harp, gij, schel-le luit,

3*3 2 1*4*3 2 3 * 3*5 4 3*2^

Waakt op! dat niets uw klan ken stuit; 'k Zal in den da- - ge-

1 7 6*5* 1*2 3 1 • 4*3 3 2*1*

raad ont-wa - ken, Èn met ge-zang mijn God ge--na-ken.

2.Ik zal, o Heer! Uw wonderdaan.

Uw roem den volken doen verstaan,

Wa.it Uwe goedertierenheid Is tot de heemlen uitgebreid;

Sluiten