Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 124, 125.

n«n H ü g00n monsch naar onzo klacht gehoordaan had een zee van rampen ons versmoord. Geloefd zy dies de Heer, die redt van 't graf Die ons, schoon wreed vervolgd van oord tot oord Tot eenen roof met in hun tanden gaf.

tw> °.ntkwan?e" haast des vogelvangers net, Den loozen strik, tot ons bederf gezet:

De strik barst los, en wij zijn vrygeraakt. ï ' jR '? ons tot hulp op ons gebed:

10 ('od> die aard en hemel heeft gemaakt.

I = C. PSALM 125.

6*6 1 7*6*5 4 3*2*4*4 3 4*

Hij zal noch wank-len, noch be-zwü- ken, Die op den Heei;

5*6* 6*1 1 7*2*6* 2*6*7*1 7

ver-trouwt, En op Zijn goed-heid bouwt j Hü zal, als Si-ón:;

6 6 5*4*6*66 2*1*7 6

berg, nooit wij-ken. Wiens grondslag door geen aardsch ver

5*6* 4*5 4 3*2*

mo-gen boit wordt be- wo - gen.

2. Gelijk 't gebergt, dat hoog gerezen,

Om Salem ligt gespreid,

Zoo is in eeuwigheid De Heer rondom hen, die Hom vroezen:

Kondom Zijn volk, 'twelk Hij wil hoeden Voor tegenspoeden.

3. "Want hoe de boozen zich doen schromen

Door wreede heorschappij,

Nog zal hun dwingland^

Jjlet rusten op het lot der vromen,

Opdat zij nooit, van 't recht geweken,

Zich zeiven wreken.

4. Geef, Heer, den goeden Uwen zegen;

Doe wèl aan 't. vroom gemoed.

Maar hem, die onrecht doet,

™ die zich neigt tot kromme wegen,

Zal God verdoen; doch Isrel leven En vrede geven.

Sluiten