Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

PSALM 129, 130.

5. Maak ze als dat gras, waarmee de maaier nooit, "Wanneer hij ga&rt, do nflvre hand zal vullen;

Dat in den oogst geen garvenbinders ooit, Bijeengepakt, in de armon dragen zullen.

6. Waarvan ook geen voorbijgaand wandelaar Ooit zeggen zal: God wille uw oogst vermeêren!

Dat 's Heeren gunst zich met uw arbeid paar'! Wi) zegenen u in den naam des Heeren !

1 = c. PSALM 130.

6*2 3 4 3 2*1* 4*2 3 4*5*6*

Uit diep-ten van el- len - don Roep ik, met mond en hart,

6*567 1 7*6* 2*1' 6 1*7*

Tot U, die heil kunt zen - den, 0 Heer ! aan-schouw mijn

6 * 6 * 1' * 6 * 5 4 3*2* 5*4 3

mart; Wil naar mijn smeek-stem hoo- - ren; Merk op mijn

2 2 1* 4*4 5 675*4*6*5

jam-mer-klacht; Ver-leen mjj gun-sti-ge oo-ren, Daar 'kin

4 5*3*2*

mijn druk ver-smacht.

2. Zoo Gij in 't recht wilt treden,

O Hf.er! en gadeslaan Onze ongerechtigheden;

Ach! wie zal dan bestaan ?

Maar neen, daar is vergeving

Altijd bij U geweest;

Dies wordt Gij, Heer, met beving,

Recht kinderlijk gevreesd.

3. Ik blijf den Heer verwachten;

Mijn ziel wacht ongestoord;

Ik hoop, in al mijn klachten,

Op Zijn onfeilbaar woord.

Mijn ziel, vol angst en zorgen.

Wacht sterker op den Heer,

Dan wachters op den morgen;

Den morgen, ach! wanneer?

4. Hoopt op den Heer, gij vromen:

Is Israël in nood,

Er zal verlossing komen;

Z\jn goedheid is zeer groot.

Sluiten