Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in verband met luchtzakken, die in liet lichaam voorkomen en in gemeenschap staan met de longen en met de neusholte. Stevig saamgegroeid maar toch van gering gewicht zijn vooral de beenderen van den schedel, dus van het voorste gedeelte van het geraamte; naden zijn niet meer waar te nemen bij den volwassen vogelschedel, die zeer weinig weegt.

Doordien de voorste ledematen tot vliegorganen zijn geworden, moeten kop en hals verschillende verrichtingen kunnen uitvoeren, waartoe de zoogdieren hun voorpooten kunnen gebruiken: liet aangezicht versmalt zich naar voren tot bovensnavel en ondersnavel en beide zijn beweeglijk aan den schedel verbonden, de eerste door de jukbeenderen, de laatste rechts en links door het vierkantbeen. Hierdoor wordt de snavel tot een zeer beweeglijk grijptoestel.dat het voedsel opnemen en gedeeltelijk bewerken kan, of soms kan de snavel ook dienst doen bij het klimmen, gelijk de Papegaai ons te zien geeft. Dikwijls ook werken snavel en hals samen en de laatste is dan ook altijd zeer beweeglijk, vaak erg lang, b. v. bij Flamingo en Zwaan. Het aantal halswervels, bij de zoogdieren 7, wisselt hier af tusschen 9 en 23. Het overige deel van de wervelkolom is zeer stijf, de lenden- en heiligbeenwervels en eerste staartwervels zijn saamgegroeid en vergroeid met de aan de rugzijde daarboven gelegen lange en smalle heupbeenderen. De overige staartwervels zijn beweeglijk en de laatste draagt een grooten kam voor aanhechting van de spieren, noodig ter beweging van de stuurpennen van den staart.

De ribben (costaé) vormen met het borstbeen, waaraan zij door afzonderlijke beenstukken (ossa sternocostalia) verbonden zijn, de borstkas. Van elke rib loopt naar achteren een dwarsuitsteeksel {processus unchiati) tot over de volgende rib, waardoor de stevigheid der borstkas bewaard blijft, ook dan wanneer de ribben uiteenwijken als de luchtzakken zich met lucht vullen. Het borstbeen, dat soms groote openingen vertoont of insnijdingen om een gering gewicht te

hebben, draagt bij alle vliegende vogels een kam (de carina van het sternum), waaraan de vliegspieren bevestigd zijn.

De schoudergordel bestaat uit de lange en smalle schouderbladen (scapulae), uit de tot een tweetandige vork of sprong (f'urcula) vergroeide sleutelbeenderen (<claviculae) en uit de krachtige ravenbekssleutelbeenderen (ossa coraco'ulea).

De beenderen der voorste ledematen zijn het in rusttoestand naar achteren gerichte opperarmbeen (.humerus), de naar voren gerichte benedenarmbeenderen, n.1. spaakbeen (radius) en ellepijp (ulna), van welke liet eerste in een uitgespreiden vleugel naar de voorzijde ligt en dunner is dan de andere (bij

de zoogdieren is het spaakbeen dikker dan de ellepijp) en eindelijk de hand. Deze is weinig ontwikkeld, heeft slechts twee handwortelbeentjes (carpaüa), een middenhand uit twee aan het begin en het einde saamgegroeide middenhandsbeentjes (metacarpus) en drie vingers, van welke de eerste, de duim, verbonden is met het begin der middenhand, terwijl de andere twee aan het einde er van bevestigd zijn.

<//. gewricbtsholte, f. sleutelbeen, lip. breed uiteinde daarvan, co. ravenbekssleutelbeen, se. schouderblad.

Sluiten