Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keel is witachtig, de oogen zijn vuurrood. In bergstreken, in wouden en in oude gebouwen leeft hij, zich voedende niet allerlei het land bewonende gewervelde dieren, tot zelfs met het hertekalf. Voor het wild van den jager is hij dus schadelijk, maar toch gebruikt deze hem wel eens om dagroofvogels en kraai-achtige vogels te lokken, die, wanneer zij een Oehoe zien, dezen aanvallen.

Een derde groep vormen de in de schemering of des daags jagende Daguilen, zonder rechtopstaande oorveeren en met onvolledigen sluier.

FIg. 5. De Sneeuw uil (X/jctea nivea G.) is zoo groot als een Oehoe, maar witbevederd met weinig bruinzwarte vlekjes er tusschen. Hij bewoont het hooge noorden en komt in sommige winters in vluchten naar Noord-Duitschland, soms in October en November ook wel eens naar ons land. Hij voedt zich met den Lemming, dien hij op zijn tochten volgt.

Fig*. (>. De Steenuil of Boom uil {Athene noctua G.) is de kleinste onzer Uilen en gekenmerkt door de bruine, onregelmatig witgevlokte bovenzijde, do witte, bruingestreepte onderzijde, den korten staart, die 1 — 2 cM. langer is dan de vleugels, en de borstelig bevederde leenen (door dit punt wijkt hij af van den Naaktpootuil, waarmede hij in kleur en grootte overeenkomt). Gaarne levende in de nabijheid der menschelijke woningen, b. v. in kerktorens, nestelt hij evenals kraaien en duiven in gaten van muren. Hij voedt zich met muizen, vleermuizen en kleine vogels, die reeds als de schemering begint en soms wel des daags worden gejaagd. Deze uil is de heilige vogel van Pallas Athene en tegelijk een vogel, die nu nog tot allerlei bijgeloovige verhalen aanleiding geeft. Omdat hij wel eens tegen een helder verlicht venster aanvliegt en zijn geschreeuw eenigszins doet denken aan: „kom mee", wordt hij vaak voor een bode van den dood gehouden.

De Musch-Uil (Ghiiicirfitnn passerinuni B.) is de kleinste uil, slechts 1,8 dM. groot. Hij onderscheidt zich van den nauwverwanten Boomuil door geringe grootte, door kleine witte vlekken en stippen op den donkerbruinen rug, door korte den staart slechts halverwege bedekkende vleugels en door de bevederde leenen; van den Naaktpoot-Uil, die in dezelfde streken woont, doordien liij geen sluier heelt. In het Schwarzwald komt hij veel voor, maar leeft daar zóó verborgen dat men nog weinig van dezen vogel weet.

Twtvdtï onderorde:

Caprimulgi, Nachtzwaluwen.

Schemering- en nachtvogels, die door kleur en losse bevedering aan de Uilen herinneren. Zij hebben een breeden, korten kop, een korten driehoekigen snavel en een groote mondspleet. De vleugels zijn lang, smal en puntig, bij enkele Afrikaansche soorten zijn sommige veeren van de vleugels tot lange sierveeren uitgegroeid. De klauw van den middelsten teen is bij de eigenlijke Nachtzwaluwen of Caprirnulgidae aan de binnenzijde getand, evenals bij den Kerkuil, en wordt gebruikt om de veeren te schikken, het toilet in orde te houden.

Sluiten