Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Familie IX. Sylviidae, Zangers.

Kleine insekteneters met dunnen, slanken snavel, bij den top met een kleine insnijding voorzien. De Inlandsche vormen, die met de Mee/en, Boomkruipeis en Vliegenvangers de nuttigste insekteneters vormen, zijn meestal tveiniy gekleuid, soms geel of goudgeel. Zij bewonen bosschen en tuinen, nestelen gaarne in het kreupelhout of op den bodem en zijn meest alle trekvogels.

bieeden wortel van den snavel zich van de overige Zangers onderscheidende Bastaardnachtegaalarhtigen, de bij ons algemeen bekende Bastaardnar bt< g.ia 1 |Acientor iiioriHicirts Ij.) en de in «Ie hooggebergten levend»1 Accetitor alpinus li onderscheiden zich ook door hun voedsel, want hij voorkeur eten zij zaden. De laatste is een standvogel, de eerste, bij ons in de zandstreken van liet geheeleland voorkomende, maar nergens talrijk, is vooreen deel zomervogel, vooreen deel standvogel.

I?ig. 2. De Spotvogel (üypolais iet er in a B.), zich onderscheidende door de grijsachtig olijfgioene bovenzijde en de zwavelgele onderzijde, nestelt in tuinen en in t algemeen nabij der menschen woningen en draagt zijn naam naar zijn geschiktheid om allerlei vogels in hun gezang na te doen.

Nauw verwant zijn de betrekkelijk nog weinig bekende Boschzangers, kleine \ogels, die 11 — 14 cM. lang, van boven grijsgroen, van onderen geelachtig wit gekleurd zijn en die tot de nuttigste insektenetende vogels onzer bosschen behooren. De kleinste ervan is

Jig. «5 de tjiftjaf (Phyllopneuste rufa L.), die van het midden van Maart tot laat in den herfst zijn eenvormig gezang hooren laat en een zeer bewegelijk diertje is. De titis of Kleine gele Hofzanger (Phyllopneuste trochilus B.) leeft in berken en dennen en doet een zacht, min of meer fluitend geluid hooren. De Fluiter (Phyllopneuste sibilatrix L.) leeft in hoofdzaak in beukenbosschen en brengt een geluid voort dat, op een afstand waargenomen, denken doet aan het sjirpen van een Sprinkhaan.

Dicht bij de Boschzangers staan weer de kleinste vogeltjes van MiddenEuropa, de Goudhaantjes, geel of goudgeel en'zwart geteekend, zeer nuttig in het naaldhout, omdat zij daar zooveel insekten eten, evenals de Meezeil en Boomkruipers doen.

Het V u u ï g o u d h aa n t j e (Regulus ignicapillus B.) heeft donkere oog- en baaidstrepen en is een trekvogel, terwijl het Goudhaantje (Regulus ciistatus K.), dat de strepen langs den kop mist, een zwerfvogel is. Den eersten noemt men daarom ook wel Zomer-, den tweeden Win ter-Goudhaantje.

lot de aardigste en, om de insekten die zij eten, nuttigste zangvogels behooren de reinig fraai gekleurde Grasmusschen. Van deze is een der meest bekende de Zwartkop (Sylvia atricapilla M.) in

lig. 5 afgebeeld; de wijfjes hebben op den kop een bruingekleurd, de mannetjes een zwart gedeelte. Door hun vroolijk gefluit trekken zij spoedig onze aandacht, als ze in kreupelhout of bosschen zich bevinden. Liefelijker en rijker aan afwisseling van tonen is het gezang van den in

Fig. 6 afgebeelden luinfluiter (Sylvia hortensia ü.), in tuinen levende. Mindei in het oog vallend is de aan de onderzijde dwarsgestreepte en daardoor

Sluiten