Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Familie IV. Glareolidae, Zwaluw plu vier en.

Afrikaansche, Indische en Zuid-Europeesche vogels, van welke

Fig. :J de Vorkstaart-Pluvier (Glareola pratincola P.) aan een Zwaluw ons doet denken. Zij heeft een korten, gekromden snavel en kamvormig getande middelteenen evenals een Nachtzwaluw; de vleugels zijn lang en spits, de staart is diep gevorkt. Zij bewoont de steppen van Hongarije, Zuid-Rusland en Noord-Afrika.

Familie V. Parridae, Parravogels.

Gekenmerkt door een langen doorn aan het handgewricht en door zeer lange en zeer dunne pooten en teenen en klauwen, bewegen zich deze tropische moerasbewoners over de breede, drijvende bladeren van waterplanten loopende voort, zich voedende met haar zaden en met kleine insekten. Afgebeeld is in

Fig. 4 de Jassana {Parra Jarana X.), een Zuid-Amerikaansche vogel. Familie VI. Oedicnemidae, GrielvofjeJs.

Nachtvogels van gelijke kleur als een Leeuwerik niet dikken kop en groote oogen, met aan het uiteinde harden en stompen snavel, en drieteenige pooten. Onze Griel of Doorn sI uiper (Oedicnemus crepitans T.), zoo groot als een Kraai, bewoont de steppen en woestijnen van Zuid- en Oost-Europa. Hij komt hij ons van Mei tot September tamelijk zelden voor, maar is meer dan eens, o. a. in de duinen, broedende aange trollen.

Familie VII. Otidïdae, Trappen.

Krachtige vogels met een dik lichaam, grooten kop, kegelvormigen, harden snavel, zeer sterke pooten en drieteenige voeten, groote vleugels en een frisch gekleurd gevederte.

De tot deze familie behoorende Krokodilwachter {Pluv ianus of Cursorins ciegypticus l .) heeft een korten snavel, krachtige, drieteenige pooten en is in hoofdzaak zwart, wit en grijs geteekend. Mij leeft in gezelschap van Krokodillen, van welker rug hij allerlei insekten zoekt en door zijn geroep, wanneer een menscli ot' een groot dier nadert, wekt hij hen tevens, indien zij slapen. Hij bewoont vlakten zonder boomgroei, voedt zich in hoofdzaak met vruchten en zaden, houdt zich meestal op den bodem op, maar kan toch ook goed vliegen.

lig. 5. De Groote Trap {Otis turda L.) leeft als standvogel in kleine troepen en gedurende den broedtijd paarsgewijze op de weilanden van OostDuitschland, Hongarije en Rusland; het is zeer moeilijk voor den jager om dezen uiterst voorziclitigen en slimmen vogel onder schot te krijgen. In de steppen van Midden-Aziö en Rusland jaagt men haar met Edelvalk en Steenarend; in Hongarije tracht de jager een troep te naderen, verscholen tusschen bossen stroo op een boerenwagen. De Kleine Trap, met zwarte en witte ringen om den hals, leeft in Zuid-Europa.

Sluiten