Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl het gewone Parelhoen verwilderd ook in Midden-Amerika leeft, is uit Noord-Amerika een om zijn vleesch hooggeschatte vogel,

Plaat XXI, Fig. 1 <ie Gewone Kalkoen (Mtleagris gallopavo L.) tot ons gekomen. De gekweekte vorm komt vooral in Spanje en Italië veel voor; de wilde stamvorm met fraai metaalkleurig veerenkleed komt in enkele bosschen van Duitscliland als stam vogel voor.

Blijkbaar wisselt dus het gebied, waar de verschillende vormen van hoenders leven, steeds in vorm en uitgebreidheid en hebben zij, gewaardeerd om hun fraai gevederte of om hun vleesch, of om beide, nog niet alle een nauwkeurig afgeperkt deel als woonplaats.

Familie II. Tetraonidae, Ruigpoothoenders.

Deze familie verschilt van de vorige in hoofdzaak daardoor dat de kop, met uitzondering van een klein gedeelte boven het oog, bevederd is; ook is het verschil in voorkomen van beide geslachten hier meestal niet zoo groot. De kleinste der inlieemsche Ruigpoothoenders is

Fig. 2 de Kwartel (Coturnix communis B.), en de voor de jacht de meest bekende soort is

Fig. 3 de Patrijs (Perdix cinerea L.). De eerste komt einde April of begin Mei bij ons en laat van uit zijn broedplaatsen in korenvelden vooral 's morgens vroeg en met zonsondergang zijn eigenaardig geroep hooren. De laatste is een standvogel en bewoont onze bosschen, bouwvelden en duinen. Behalve in den broedtijd leven zij in troepen samen, zich voedende met plantenzaden, zachte plantendeelen en insekten.

In de bergachtige streken ten oosten der Middellandsche zee en op de Alpen, soms nabij de sneeuwgrens, leeft

Fi^. 4 de Steen pa tr ijs (Gaccabi* saxatiüs G.) en in Zuidwest-Europa r n.1. Frankrijk, Spanje en Portugal komt in zijn plaats

Fig1. 5 de Roode Patrijs (Gaccabis rufa G.). Deze onderscheidt zich van den Steenpatrijs doordien de zwarte keelband naar achteren niet scherp begrensd is en doordien de veeren op zijde niet twee maar één dwarsband vertoonen. Beide vogels worden veel gejaagd.

Door een dichte bevedering van loopbeen en teenen en door een kleur, die met het jaargetijde wisselt, zijn de Sneeuwhoenders gekenmerkt.

Fig*. (>. Het Sneeuwhoen (Lagopus mutus L. of alpinus N.) bewoont de Alpen en Pyreneën en de gebergten van het noorden der oude en nieuwe wereld. Het Schotsche Sneeuwhoen {Lagopus albus /,. of scolicus G.) is vooral in Schotland inheemsch en wordt hier en daar ook in Oost-Pruisen aangetroffen. Beide vormen zijn in den winter grootendeels wit, m den zomer roestkleurig en zwart gegolfd, waardoor het Sneeuwhoen grijsbruin, het Schotsche Sneeuwhoen kastanjebruin van kleur is. Het mannetje van hot eerste heeft gedurende het gansche jaar een zwarte streep ter zijde van den kop. Voor de jacht zijn beide vogels van veel waarde.

Naakte teenen, en van onderen naakte loopbeenen en tot een kuif uitgroeiende veeren boven op den kop kenmerken

Sluiten