Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geworden. Bij het oor een kruisje met bolletje in ieder der vier hoeken.

Doorsnede ft.4 c^l. Dergelijke bracteaten werden op een stempel geslagen. Aangekocht in April 1908. Gevonden in 19^7 niet ver van de kerk te Hitsum, toen een bij het afgraven der voormalige terp uitgespaarde hooge weg, verlaagd werd.

Omstreeks 7e eeuw. Noorsche bracteaten van goud, vijf 303—307. stuks. De versiering brengt deze exemplaren tot de groep van het omziende dier „tillbakaseende djur", waarvan de meeste exemplaren voorkwamen in Jutland en de Zweedsche provincie Vestergötland.

No. 303 is uit een terp te Achlum, nos. 304—307 werden gevonden ten zuiden van Frcineker, dus in dezelfde buurt en waar ook de runenbracteaat (302) gevonden is.

Zie nader onze beschrijving en afbeelding in Bulletin v. d. Ned. Oudhk. B., VII, blz. 55.

Bronzen mantelspeld uit den Merovingischen tijd, 308. vervaardigd op het eiland Gotland (Zweden). Versierd met twee belegstukken, waarin gccloissonneerde bruine steentjes.

Onder de vijf nagels, die de belegstukken bevestigen, zit telkens een uit een schelp vervaardigd schijfje. De mooiste spang uit het museum te Stockholm heeft, hoewel rijker versierd, eene volkomen gelijke vorm en is dan ook op Gotland vervaardigd (Montelius, Kulturgeschichte Schwedens, 1906 no. 386). Lang 8.7 cM. Met de bijgevoegde ba?id van bronsblik (gordelversiering) en negental kralen van mozaikwerk en barnsteen, onderling door uit schelpen vervaardigde schijfjes gescheiden, gevonden op een skelet in de zeer groote terp te Aalzum (XXXI11 no. 25—27).

Stalen van cloissonneerwerk zijn in ons land zeldzaam. Het buitenland heeft hiervan prachtige dingen. Afgebeeld bij Mr. Boeles, Oudste beschaving enz., fig. 11/?.

Zilveren mantelspeld met sporen van vergulding. 309. Skanainavisch type uit denzelfden tijd als het vorige nummer. Interessant band- en gestileerd dier-ornament. Lang 6.5 cM. Terp Achlum (LXXIVc, no. 307). Afgebeeld alsvoren, fig. 11a.

Gestileerde kop van een rund. Verguld brons op ijzer. 310. Het voorwerp eindigt in eene ijzeren punt, waarmede het ergens aan vastgehecht kon worden. Versierd met bochtige lijnen met sterk uitgediepte omtrekken. Vgl. S. Müller N. Altertumskunde II, nos. 110 en 111. Lang 9.4 cM. Terp Huizum (XVa, no. 122).

Sluiten