Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brandweer er bij was, had het vuur reeds een tweede werf aangetast en weldra begonnen ook de pakhuizen te branden. De eerste werf brandde geheel uit; van de goederen op de tweede opgeslagen, kon nog een deel gered worden, het hooipakhuis werd ook een prooi der vlammen en van het douanekantoor brandde het achterste gedeelte uit. De schade wordt ruw op l' 30.000 geraamd.

Uit de „Limburger Koerier", 22 Mei 1909.

Ontploffing.

Dinsdagavond kwam de magazijnmeester van de Volksapotheek in de Rue Souverain-Pont met een lamp te dicht bij een vat alkohol. Eene ontploffing volgde en de ongelukkige kreeg zulke zware brandwonden, dat hij reeds Woensdagmorgen aan de gevolgen overleed.

Uit het „Handelsblad", 15 Juni 1909.

Benzine-ontploffing.

Sebastopol, 13 Juni (Reuter).

De torpedoboot 273 verbrandde door een benzine-ontploffing. Verlies van menschenlevens valt niet te betreuren.

Behalve op de bovenstaande rampen, die bij het détailgebruik van brandgevaarlijke vloeistoffen plaats vonden, is het zeker niet onbelangrijk nog op enkele voorbeelden uit de groot-industrie te wijzen.

Hoe gevaarlijk bijv. het transporteeren van teeroliën door middel van samengeperste lucht is, leeren ons drie gevallen van explosie, die in den jongsten tijd zijn voorgekomen.

Geval 1 deed zich voor op 12 Juli 1901, op een chemische fabriek van teerprodukten, bij liet transporteeren van de z.g. zware olie (de wascholie, waaruit de benzol wordt verkregen) van een voorraadketel naar de naphtalinekisten. De explosie was buitengewoon brisant en op 1 K.M. al stand hoorbaar. De ketel had een lengte van 8 M., een doorsnede van r-7° een wanddikte van 6 111M. Na de explosie was er geen vlam

meer te zien, alleen nog gele oliedampen.

Geval 2 deed zich voor op 28 April 1902 in een fabriek voor het impregneeren van hout en van teerprodukten, bij het transporteeren van lichte-olie uit een voorraadketel naar de fractioneerretort. De ketel was 8.6 M lang, 2.5 M in diameter en had een wanddikte van 12 mM. De olie was door middel van stoom indirekt voorgewarmd. De explosie was sterk brisant en werd door brand gevolgd.

o o

Geval 3 deed zich voor op 20 Nov. 1902 in een fabriek van benzol, bij het transporteeren van zware olie uit den distilleerketel naar de hooggelegen reservoirs en wel onmiddellijk nadat de ruwe benzol was afgedistilleerd. De olie was, volgens opgave, ongeveer 1800 C. warm. Deze explosie was niet zoo krachtig als de twee vorige. Vlammen zijn niet waargenomen, blijkbaar waren ze door de explosie gedoofd.

Sluiten