Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omtrent de leefwijze, die voor de verschillende schadelijke soorten van het geslacht Baris dezelfde is, vermeldt Taschknuerg (l.c.), dat de kevers op de eerste warme lentedagen de kruisbloemige planten, in den stengel of wortel waarvan zij overwinterd hebben, verlaten, en dat de bevruchting dan plaats vindt; dat de wijfjes vervolgens hare eieren, bij één of zeer weinige tegelijk, leggen in de bladoksels of in den stengel zelf, waarvan zij voor dit doel de opperhuid aanboren. De, na acht tot twaalf dagen uit het ei komende larven, leven borend in den stengel, die door hen wordt uitgevreten en met kruimelige faeces gevuld. In Juli zijn de meeste in de holten verpopt, in welken toestand zij 14 dagen verblijven. Somtijds blijft de kever in zijn holte; meermalen echter komt hij te voorschijn, om tegen den winter weg te kruipen.

Dit laatste is in de Noord-Hollandsche kool in 1905 ook zeker het geval geweest, daar ik de kevers nooit in de uitgeholde stronken aantrof. Tot Juli vond ik de larven erin; sedert had ik een paar weken geen gelegenheid de velden te bezoeken, en in de tweede helft van Juli waren de gangen overal leeg1). In Noord-Holland noemt men deze larve „köpmaadjer . in tegenstelling met de „maadjer", de larve van Anthomyia, die zich niet in den „kop", maar aan het ondereind van de plant inboort.

Men kan de, door de boorsnuittor aangetaste planten, op 't gevoel kennen. Zij voelen hol aan en laten zich ineenknijpen. Zijn zij erg aangetast, dan bezwijken zij, ook zonder bijkomstigen kanker, vooral als het droog weer is. Deze vreterij kwam in 1905 > en komt in de meeste jaren, zeer veel voor.

Phytomyza ruficornis (gedetermineerd door de Meyere) heb ik uit mineergangen in de grootere nerven van koolbladeren van den Langendijk kunnen kweeken. Door Brischke (47) is deze soort gekweekt uit mineergangen in de bladeren van Cochleana Armoracea. De larve van Phytomyza ruficornis verlaat haar gang in den zomer en verpopt zich, op het blad zittend, of nadat zij zich op den grond heeft laten vallen. De gangen van deze vlieg zeer dikwijls in het verlengde van die van den boorsnuitkever.

Aardvlooien, voor ons van belang, zijn in hoofdzaak Haltica oleracea L. en de soorten, die onder den naam Haltica nemorum Auct. samengevat

') In Noord-Amerika is volgens Chittenden (70) e. a. de soort Ceutorhynchus rapae Gyll. op precies dezelfde wijze schadelijk aan kool, en volgens Tullgren (71) e. a. is dit ook het geval in Zweden. Everts (72) vermeldt bij deze soort, dat zij niet inlandsch is, maar wel voorkomt in Westfalen, Oldenburg en bij Crefeld in de Rijnprovincie.

Sluiten