Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gebracht in een wond aan den wortelhals, die met een scalpel in radiale richting door alle weefsels heen, was aangebracht, zoodat de fungus zoowel in de schors als in hout en merg kwam, een operatie, die eenigszins de werking van de vlieg- en keverlarven nabootste. Daarop werden de planten zóó uitgeplant in den bak, dat de besmette plek op een diepte van 5 c.M. onder den grond kwam.

Twintig planten dienden voor contróle, maar bij 10 daarvan was een dito wond aangebracht, zonder infectie.

Ook hier werden af en toe eenige proefplanten opgenomen, echter niet meer dan 4 van elke 20, om te zien, wat er gebeurde. Met behulp van het microscoop was waar te nemen, dat de zwam in het merg indrong. De 30 gewonde planten groeiden aanvankelijk niet zoo goed als de 10 onbeschadigde, maar heel groot was dit verschil toen nog niet. Toen April en Mei verstreken waren, was er een enorm contrast tusschen de 20 gewonde en geïnfecteerde planten, en de 20 contróleplanten.

Gewond of niet, de laatste stonden zoo goed, als men het van bloemkool in dezen tijd verwachten kon. Maar van de 20 geïnfecteerde waren er 19 echte „vallers" geworden; één was er doorheen gegroeid en stond goed. Bij onderzoek bleek, dat alle 19 de pykniden droegen van Phoma oleracea op kankerachtige plekken.

Ook hier had de koolvlieg een aanval op de planten gedaan. In de wortels van een groot aantal contróleplanten zaten de larven, maar zij alleen hadden er geen vallers van kunnen maken. Hoeveel van de 19 vallers door de vlieg waren aangetast, was niet precies meer te zien door den bijkomstigen kanker, die de gangen soms onherkenbaar maakte. Bij sommige vond ik nog larven en poppen.

Phoma oleracea kwam op dit terrein, vóór ik er mijn proeven nam, nog niet voor. Op ruim 200 M. afstand van mijn proefveld stonden groote aanplantingen van bloemkool en roode kool. Hier vond ik de vlieglarve ook herhaaldelijk bij goed ontwikkelde planten. Zeer enkele gingen, door een groot aantal larven tegelijk aangevreten, dood, maar Phoma kwam in deze aanplantingen niet voor en heeft er zich in den loop van het jaar 1906 ook niet vertoond.

De infectieproeven A, B en C bewijzen, dat Phoma oleracea voor

»

onvolwassen koolplanten een wondparasiet is, maar een wondparasiet, die alleen vat op de planten heeft en ze doet kankeren, wanneer zij in een toestand van neergedrukte levensenergie ver keer en. In de natuur wordt die wond gemaakt door de koolv lieg la rv.e, eventueel door andere insecten;

Sluiten