Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6. Van de gewoonte om koolstronken als mest in den grond te laten, zijn de voordeelen overwegend (blz. 45).

7. Men moet den koolafval en het veegsel der koolschuren in de slooten werpen 1), maar oppassen, dat het niet in, als zoodanig nog herkenbaren vorm met het slik weer op het land wordt gebracht (blz. 44).

8. Men moet de plantenbanen geheel in het vrije veld, op, tot dusverre nog onbesmet terrein, kiezen (blz. 42).

9. De planten moeten vóór het uitpoten gereinigd, eventueel van koolvliegeieren en larven ontdaan worden door afspoelen van de wortels en wrijven van den wortelhals met de vingers.

10. Na het uitpoten moet het stengeltje omgeven worden door een middel, dat de koolvlieg mechanisch weert. Het eenvoudigste middel is een handvol gebluschte kalk, om den stengel gestrooid.

11. Men moet de banen en de velden zoo dikwijls mogelijk inspecteeren, en men vergete daarbij de, voor latere planting aangehouden banen niet. Alle uitgepote planten, aan welke men de made van de koolvlieg vindt, of die inwendig hol zijn, en alle dito waardelooze baanplanten, werpe men in de sloot, hierbij lettend op eventueel in den grond achterblijvende maden en poppen.

12. Infectie van bewaarkool heeft meestal op de snijvlakte plaats. Welke stof het meest geschikt is, om, gebracht op de snijvlakte, infectie te voorkomen, zonder de consumptiewaarde te verminderen, moet nog worden uitgemaakt.

Van het initiatief tot en de uitvoering van de bestrijdingsproeven, die tot heden genomen zijn, laat zich hetzelfde zeggen als bij de draaihartigheid (zie blz. 30). Zulke proeven nemen uit den aard der zaak jaren in beslag, voor men bruikbare resultaten mag verwachten. Op eventueel gunstige uitkomsten kom ik later terug in het Tijdschrift over Plantenziekten.

') Zie de noot op blz. 30.

Sluiten