Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het staatsperceel No. 5, in zeer belangrijke mate worden verontreinigd. Maar bovendien volgt daaruit, dat ook de staatsperceelen Nos. 7 en 8 onvoldoende zuiver zijn te noemen, een resultaat, waartoe het vorige onderzoek nog niet voldoende gegevens had opgeleverd. De uitkomsten waren bovendien ook nu van dien aard, dat het te verwachten was, dat bij nader onderzoek ook

i verschillende meer Westwaarts gelegen perceelen onvoldoende zouden blaken.

.

De uitbreiding van het onderzoek tot de meer Westwaarts gelegen perceelen moest met het oog op het reeds ver gevorderd zijn van het seizoen, worden uitgesteld tot het volgend najaar de mosselcampagne weer in vollen gang was.

Den 228ten September 1908 had dit waieronderzoek plaats; de resultaten daarvan vindt men vermeld in de bijlagen Gr—G4. Ook bij dit onderzoek bleven de perceelen alle bij laagwater onder, zoodat de resultaten in dit opzicht volkomen met die der beide vroegere wateronderzoekingen zijn te vergelijken.

i Een viertal serieën monsters werden genomen en wel de eerste serie

tijdens laagwater op de perceelen Nos. 61, 89, 65 en op staatsperceel No. 9. Het eerste en derde perceel liggen tegen den havendam; het tweede op de laagwaterlijn; het staatsperceel op eenigen afstand ten Noorden van deze lijn. De tweede serie is genomen een half uur na laagwater en wel behalve op de bovengenoemde perceelen bovendien nog op de perceelen Nos. 85, 80, 56 en op het staatsperceel No. 12. De beide eerste van deze laatste 4 perceelen liggen op de laagwaterlijn, het derde tegen den dam van de spuikom, het staatsperceel No. 12 ruim honderd meter ten Noordwesten van het staatsperceel No. 9 en evenals dit beneden de laagwaterlijn. Staatsperceel No. 12 ligt van alle genoemde het verst van de havenmonding verwijderd. De derde serie monsters is genomen één uur na laagwater, de vierde een uur later, dus twee uur na laagwater en wel beide op alle hierbovengenoemde perceelen.

Daar er gedurende eenige weken geen regen gevallen was, bedroeg de stand van het binnenwater slechts 74 c.M. + L.W., en was dus zeer laag vergeleken met dien, welke tijdens de beide vorige wateronderzoekingen waargenomen werd. Hier staat tegenover, dat het water ditmaal buitengewoon vuil was. Immers een tweetal extra monsters (Nos. 651 en 652) binnen de sluis geschept, gaven als oxydatiewaarden niet minder dan 38,21 en 25,25; daarbij was hèt aantal bacteriën van het laatste monster 150000 per c.M\, waarbij 40000 versmeltende, terwijl voor beide monsters nog coli-bacteriën werden aangetroffen in Viooob c.M*. Daar bij deze proefneming de verdunning niet verder is voortgezet, omdat zulk eene enorme verontreiniging niet verwacht werd, is de maximum-hoeveelheid water, waarin juist geen coli's voorkomen, niet bepaald geworden. Van beide monsters was het chloorgehalte t zeer hoog, vergeleken met de vroegere waarnemingen daar ter plaatse, het

bedroeg voor de beide monsters resp. 10,28 en 12,96 gram per L. Met deze feiten dient bij het beoordeelen der resultaten van het onderzoek rekening gehouden te worden.

Van de eerste serie van vier monsters, geschept tijdens laagwater, zijn,

i

Sluiten