Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De staatsperceelen Nos. 9 en 12 (monsters Nos. 6BB en 634) zijn nu nog volkomen zuiver.

De cijfers, verkregen met de derde reeks monsters, genomen één uur na laagwater, vertoonen gelijksoortige verschillen als die voor de tweede serie gevonden zijn. Perceel No. 56 is ook nu wat minder zuiver dan perceel No. 80, maar kan ook thans nog als „voldoende" worden beschouwd. Voor de perceelen Nos. 85 en 61 is het verschil weder duidelijker en No. 61 is ook nu niet geheel voldoende. De perceelen Nos. 89 en 65 zijn, vergeleken met de vorige waarneming, weinig veranderd, No. 65 is weder sterk verontreinigd. De staatsperceelen Nos. 9 en 12 (monsters Nos. 641 en 642) zijn nog even zuiver als een half uur geleden.

Uit de beide laatste reeksen van monsters blykt ten duidelijkste, dat bij dit onderzoek het verontreinigde water, hetwelk de haven verlaat, zieh grootendeels dicht langs den havendam in Westelijke richting bewoog, waardoor alle perceelen, welke op eenigen afstand van dien dam gelegen zijn, voor verontreiniging gevrijwaard bleven. Gelijktijdig heeft echter verspreiding en verdunning van het water plaats, zoodat de verontreiniging in Westwaartsche richting langzamerhand afneemt. Bij de beide vorige onderzoeken, welke den 19den December 1907 en den 3den Februari 1908 hebben plaats gehad, bleek het water dat de haven verliet, zich na laagwater juist meer in Noordelijke richting te bewegen en pas bij het krachtiger doorzetten van den vloed meer Westwaarts te stroomen. De oorzaak van dit verschil moet uitsluitend gezocht worden in de kracht en richting van den wind: bij het hierboven besproken onderzoek woei er namelijk een zeer matige Zuid-Oostenwind, dus juist in eene richting evenwijdig aan den wal en met den stroom mee. Bij de beide vroeger verrichte onderzoeken daarentegen woei er een matige tot vrij sterke ZuidWestenwind, dus in eene richting loodrecht uit den wal, en deze zal van zeer veel invloed zijn geweest op de beweging van het geloosde water, vooral zoolang er nog weinig stroom gaat. Hierbij moet nog in aanmerking genomen worden, dat dit laatste water, ten gevolge van zijn kleiner soortelijk gewicht, aanvankelijk op het zwaardere zuivere zeewater blijft drijven en dus gemakkelijk door den wind kan worden meegevoerd.

De laatste serie monsters (Nos. 643—650) eindelijk is, zooals vermeld, genomen twee uur na laagwater op dezelfde perceelen, waarop dit bij de vorige twee reeksen is geschied. Het water van de perceelen Nos. 80 en 56 (monsters Nos. 643 en 644) vertoont, vergeleken met de vorige monsternamen aldaar, weinig verandering.

Voor de dichter bij den havenmond tegen den dam gelegen perceelen is de bij de vorige monstername geconstateerde verontreiniging aanmerkelijk afgeuomen.

Van het dicht bij den havenmond gelegen perceel No. 65 (monster No. 648) zijn de coli-grenzen reeds gestegen tot Vio— 1, 1—10 c.M\ Hieruit mag de gevolgtrekking gemaakt worden, dat op dit moment geen of slechts heel weinig water de haven meer verlaat, doordat het nu nog door de sluis geloosde water door den opkomenden vloed verhinderd wordt naar buiten te treden. Toch staan ook op dit moment de perceelen, welke tegen den dam liggen, nog in zuiverheid achter bij de verder afgelegen perceelen (monsters Nos. 645 en 647).

Sluiten