Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de oppervlakte genomen. Dat monsters, welke nabij den bodem genomen zijn, in gevallen waarin verontreiniging met zoet water plaats heeft, zuiverder zijn dan die, welke nabij de oppervlakte zijn geschept, zal bij een volgend onderzoek nog nader worden aangetoond.

Hoewel dus het oesteronderzoek een vrij gunstig resultaat opleverde, maakten de hoogst ongunstige uitkomsten van het wateronderzoek eene herhaling van de monstername wenschelijk, waarbij dan tevens de Oostelijk en Westelijk van No. 17a gelegen perceelen konden worden onderzocht. Nadat door ongunstige weersomstandigheden dit wateronderzoek eenige malen achtereen uitgesteld was, had dit eindelijk den 4den Maart 1908 plaats. Men zie hiervoor de bijlagen Jt:—J3.

Op de dagen, voorafgaande aan dien van het onderzoek, was er buitengewoon veel regen gevallen, met het gevolg, dat het polderwater zoodanig verdund was, dat het slechts matig verontreinigd mocht heeten, zooals nader uit de resultaten van het onderzoek zal blijken. Om deze reden zijn noch de oxydatiewaarden en de aantallen der bacteriën, noch de coli-grenzen van dit onderzoek geschikt voor vergelijking met de resultaten van het onderzoek van den 17den December, hoewel zij zich uit den aard der zaak toch wel zeer goed leenen voor onderlinge vergelijking. Het chloorgehalte heeft bij dit onderzoek zeer goed sprekende resultaten opgeleverd en met behulp hiervan kon nauwkeurig den loop van het polderwater worden nagegaan. Daar, zooals zal blijken, het chloorgehalte van het zuivere rivierwater op verschillende dagen belangrijke afwijkingen vertoont en ook gedurende eenzelfde getij somtyds aan kleine schommelingen onderhevig is, zijn eenige zuivere monsters genomen, welke ter vergelijking kunnen dienen.

By dit onderzoek werden een viertal seriën monsters genomen. De eerste reeks is genomen één uur vóór laagwater op de perceelen Nos. 16a, 17, 17a, 18 en 159. Hiervan liggen Nos. 10a en 17 Oostelijk van de monding der meermalen genoemde geul van het Dakwater, Nos. 18 en 159 Westelijk daarvan, terwijl, zooals reeds vermeld is, No. 17a juist vóór den mond der geul ligt.

De tweede reeks monsters is genomen tydens laagwater, op dezelfde perceelen als de vorige reeks.

De derde is genomen drie kwartier na laagwater op de perceelen Nos. 15a, 16, 16a, 17, 17a en 18, waarvan de beide eerstgenoemde in Oostelijke richting op No. 16a volgen.

De laatste reeks is genomen anderhalf uur na laagwater, op de perceelen Nos. 15a, 16a, 17a en 18.

Alle perceelen liggen, zooals gezegd is, beneden de laagwaterlijn. De monsters zijn steeds midden op het perceel geschept, behalve bij perceel No. 159, waar zij genomen zijn op het Zuid-Westelijk deel van dat perceel, waar plantoesters lagen.

Anderhalf uur vóór laagwater begonnen beide sluizen in het Dijkwater te sueeren. Op het oogenblik, dat de eerste reeks monsters geschept werd, dus één uur vóór laagwater, dreef een krachtige ebstroom het uit de geul vloeiende polderwater onmiddellijk in Noord-Westelijke richting, zoodat met zekerheid aangenomen kon worden, dat de perceelen Oostelijk van den mond der geul op

Sluiten