Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat oogenblik niet door polderwater bereikt konden worden. Het monster (No. 667), afkomstig van perceel No. 16a, is dan ook volkomen zuiver en kan ter vergelijking dienen; het chloorgehalte bedraagt 15,00 gram per L., het aantal bacteriën slechts 150 per c.M*.

Vergelijkt men het op dezen datum gevonden chloorgehalte met dat, hetwelk op den 17den December voor het zuivere water werd geconstateerd, namelijk 17,57 gram per L., dan blijkt dit nu aanmerkelijk geringer te zijn. Dergelijke schommelingen worden in de Grevelingen in veel sterker mate waargenomen dan in de Ooster-Schelde. Dit verschijnsel moet zeer waarschijnlijk worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat rivierwater uit het Hollandsch Diep in afwisselende hoeveelheden het Volkerak binnenstroomt, om door de Grevelingen naar zee te worden afgevoerd, terwijl het water van de OosterSchelde niet rechtstreeks door belangrijke hoeveelheden rivierwater wordt bereikt. Perceel No. 17 (monster No. 068) is één uur vóór laagwater ook nog volkomen zuiver, evenals No. 16a. en zelfs No. 17a geeft nu nog een gunstig resultaat. De omstandigheid, dat de perceelen Nos. 18 en 150 (mousters Nos. 670 en 671) op dit moment een weinig minder zuiver zijn dan de vorige, maakt het waarschijnlijk, dat toch reeds polderwater het einde der geul heeft bereikt, maar dat dit direct in Westelijke richting wordt gestuwd. Wel zal een deel van perceel 17a door dit polderwater worden gepasseerd, maar op dit moment zal die stroom het midden van het perceel, waar, zooals gezegd is, het monster genomen is, nog niet bereiken. Dit verklaart waarom het monster van No. 17a bij deze serie zoo zuiver was. Bij de monstername op 17 December werd in tegenstelling met dezen keer één uur vóór laagwater op het midden van dit perceel wel eene aanmerkelijke verontreiniging waargenomen. Dit moet zeer waarschijnlijk worden toegeschreven aan de grootere verontreiniging van het geloosde water op dien datum en aan de omstandigheid, dat toen eene belangrijk grootere hoeveelheid water door de sluizen werd geloosd, zoodat het midden van het perceel hierdoor bereikt werd.

De tweede reeks monsters, tijdens laagwater genomen, geeft een inzicht in de verspreiding van het binnenwater gedurende de periode, dat het water in de Grevelingen in rust of nagenoeg in rust is. Dat er op het oogenblik, waarop de monsters geschept werden, reeds eenige beweging van het vuile water in Oostelijke richting merkbaar was, bewijst het monster (No. 672), genomen op perceel No. 16a, waar het chloorgehalte reeds gedaald blijkt te zijn tot 14,26 gram per L. Op perceel No. 17 (monster No. 473) is het chloorgehalte nog slechts 12,89 gram per L., terwijl de oxydatiewaarde 4,76 bedraagt, dus ongunstig kan worden genoemd. Perceel No. 17a (monster No. 674) blijkt, zooals te verwachten was, het sterkst van alle met polderwater in aanraking te komen; het chloorgehalte bedraagt nu slechts 9,18 gram perL., de oxydatiewaarde 8,82, de coli-grenzen zijn echter vrij hoog en wel beide '/i0—1 c.Ms. Deze hooge coli-grenzen moeten hieraan worden toegeschreven, dat, zooals reeds vermeld is, het polderwater ditmaal slechts matig verontreinigd was. De monsters (Nos. 675 en 676), geschept op de perceelen Nos. 18 en 159, doen zien, dat de reeds één uur vóór laagwater geconstateerde verontreiniging met polderwater daar nog voortduurt.

Het was te verwachten, dat eenigen tgd na laagwater de Oostelijk van den mond der geul gelegen perceelen in nog ongunstiger condities zouden

Sluiten