Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. De oesterput nabij de haven van Zierikzee.

Met 3 bijlagen Ten Oosten van de monding der haven van Zierikzee bevindt zich een

gemerkt N,— H, vloeiput, die, hoewel door de genoemde haven al het afval en rioolwater dezer stad woidt afgevoerd, bij nadere beschouwing der topographische ligging en van de uitkomsten Uwer drijfproeven toch vrij gunstig gelegen blijkt te zijn.

Vooreerst toch steken de havenhoofden zeer ver in de rivier vooruit en leiden het geloosde havenwater tot op aanzienlijken afstand van den wal, waar het zich in de rivier verspreidt. Bovendien trekt vóór laagwater de verontreinigde stroom in Westelijke richting en kan dus dan den put niet bereiken. Tijdens laagwater verzamelt het geloosde water zich vóór den havenmond en tusschen het Oostelijke havenhoofd en een ver in de rivier uitstekenden dam. de zoogenaamde Kurkennol. Bij het opkomen van den vloed trekt een groot deel van dit water de haven weer in, terwijl een ander deel in de richting van het Keeten vloeit en daar in sterke mate wordt verspreid en verdund. De Kurkennol verhindert echter dat deze vloedstroom den oesterput bereikt. Bij het terugkeeren van het water gaat de stroom aanvankelijk dicht langs den wal en wordt daarna door de Kurkennol uit den dijk gedreven. Tengevolge hiervan verzamelt zich op het strandje ten Oosten van de Kurkennol, waar zich ook de oesterput bevindt, zeewier en ander aanspoelsel. Met het oog hierop werd door IJ een bacteriologisch onderzoek van den put wenschelijk geacht. Hiertoe werd door mij een wateronderzoek en tweemaal een oesteronderzoek uitgevoerd, waarbij tevens gelegenheid was ook langs dezen weg na te gaan of invloed van

het door de haven geloosde water op de zuiverheid van den oesterput merkbaar was.

Het wateronderzoek en een oesteronderzoek hadden den 12den December 1908 plaats. De resultaten van het eerste vindt men in de bijlage Nj.

Vóór den aanvang van de monstername was door de Westerhaven-sluis te Zierikzee eene hoeveelheid water in de haven geloosd. Een vijftal monsters werden m den put geschept en wel het eerste op het moment dat deze juist begon over te vloeien, het tweede anderhalf uur vóór hoogwater, het derde tijdens hoogwater, het vierde anderhalf uur daarna, het laatste op het moment dat de put weer boven water kwam.

De put begon over te vloeien ongeveer vier uren vóór hoogwater. Het op dat tijdstip geschepte monster (No. 718) is zonder twijfel zuiver te noemen. Het tweede monster' (No. 714) geschept anderhalf uur vóór hoogwater, komt. wat chloorgehalte en oxydatiewaarde betreft, met het eerste overeen, de coligrenzen zijn iets hooger. Nog zuiverder is het derde monster (No. 715), tijdens

Sluiten