Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hetgeen object van zinnelijke waarneming kan zyn, er voor finalisme geen plaats is.1) Hij kon niet inzien, hoe doeleinden, die de onze niet zyn en die ook aan de natuur, die geen intelligent wezen is, niet toekomen, een byzondere causaliteit zouden oproepen en een eigenaardige wetmatigheid zouden vormen. De ervaring kan het finale niet bewijzen. Toch wil hy daarmede alle finaliteit niet afsnijden. Hij erkent, dat het mechanisme te kort schiet.2) Het stelt ons de dingen wel voor, analyseert hunne samenstelling, toont de noodzakelijke synthese der elementen, maar met dat alles is het leven nog niet verklaard. Hoogstens kan het mechanisme ons geven iets, dat niet beter kan vergeleken worden dan met het negatief eener photographie. Hoe zuiver deze ook mag gelijken, de levende persoonlijkheid vertolkt zy ons niet.

Kants belijdenis is echter zeer merkwaardig, niet slechts, omdat hy het mechanisme was toegedaan en aanspoorde zoover mogelijk de mechanische verklaring toe te passen,3) maar vooral omdat de grondfout van het mechanisme zoo treffend bij hem uitkomt. Voor het mechanisme is de natuur „Inbegriff der G-egenstande der Sinne". Zulk een natuurbeschouwing nu is geheel willekeurig, een veronderstelling, waarvoor niet alleen geen bewijs kan gegeven worden, maar die bovendien in strijd is met wat wij van onszelven weten. Er is geen enkel recht de natuur op zoo willekeurige wijze te beperken en haar te maken tot „das flache Faktum der Sinne".4)

Als dan ook Kant het finale slechts erkent als een regulatief5)

*) Kritik der Urteilskraft, V § 61. Dasz aber Dinge der Natur einander als Mittel zu Zwecken dienen und ihre Möglichteit selbst nur durch diese Art von Causalitat hinreichend verstandlich sei, dazu haben wir gar keinen Grund in der allgemeinen Idee der Natur als Inbegriffs der Gegenstande der Sinne.

*) a. w. § 80. Die Befugniss au! eine blose mechanische ErklSrungsart aller Naturobjecte auszugehen, ist an sich unbeschrönkt; aber das Vermögen damit allein auszulangen ist nach der Beschaffenheit unseres Verstandes, sofern er es mit Dingen als Naturzwecken zu thun hat, nicht allein sehr beschrankt, sondern auch deutlich begrenzt.

®) a. w. § 78 in fine, waar hij als roeping voorstelt: alle Producte und Ereignisse der Natur, selbst die zweckmassigsten so weit mechanisch zu erklSren, als es immer in unserm Vermögen steht.

4) Logische Untersuchungen von A. Trendelenburg, II. Bnd. Leipzig, 1862, S. 48. Was also in einer solchen Erklarungsart der Natur Überschwengliches liegen soll, schwingt sich nur tlber die engen Schranken weg, in welche die Natur, als ware sie nichts als das Flache Faktum der Sinne, widerrechtlich eingeschlossen ist.

8) Kant a. w. II, § 76. So wird der Begriif der Zweckmassigkeit der

Sluiten