Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XIII.

In de tweede afdeeling van het hoofdstuk, dat over de justitie handelt, wordt gesproken van de Rechterlijke Macht.

Voor den oppervlakkigen lezer is het, alsof hier een schakel in den ketting ontbreekt, want er wordt over de rechterlijke macht heel weinig gezegd: bijna al de artikelen zijn gewijd aan het opperste gerechtshof in ons land, aan „den Hoogen Raad der Nederlanden."

In de vorige afdeeling echter (in art. 150) is vastgesteld, dat „de rechtspleging en de inrichting der rechterlijke macht geregeld worden bij de wet," zoodat er niet alleen geen schakel te kort komt, maar de lezer, daaraan herinnerd, dadelijk geneigd is, om te meenen: „dat kapittel van de rechterlijke macht is overbodig; de regeling geschiedt immers b ij de wet?"

Waarom wordt dan de Hooge Raad der Nederlanden in de grondwet zoo uitvoerig besproken?

Art. 164 maakt dit duidelijk. Daar staat: „De leden der Staten-Generaal, de hoofden der ministeriëele departementen, de gouverneurs-generaal en de hooge ambtenaren, onder anderen naam met gelijke macht bekleed in de koloniën of bezittingen des Rijks in andere werelddeelen, de leden van den Raad van State en de Commissarissen des Konings in de provinciën staan wegens ambtsmisdrijven, in die betrekkingen gepleegd, ook na hunne aftreding, terecht voor den Hoogen Raad, ter vervolging, hetzij van 's Konings wege, hetzij van wege de Tweede Kamer."

Daar dus de Hooge Raad recht te spreken heeft over de leden der wetgevende lichamen, behoort zijn bestaan niet van de gewone, door die lichamen spoedig veranderbare, wet afhankelijk te zijn, maar vaster gewaarborgd te wezen; daarom is terecht de Hooge Raad boven de gewone wet gesteld; daarom bestaat die Hooge Raad niet alleen wettig, maar grondwettig. Het bestaan van dit college wordt gewaarborgd in art. 162, de organisatie in hoofdzaak in art. 163, de bevoegdheid in hoofdzaak in de beide volgende artikelen; in hoofdzaak, zeggen wij, want de grondwet bepaalt het ledental van den Hoogen Raad niet en laat ook „de overige bevoegdheden" (art. 166, laatste alinea) door de wet regelen.

Leden der Staten-Generaal kunnen niet tegelijk leden van den Hoogen Raad zijn: immers, ware bijvoorbeeld een lid der Tweede Kamer tevens lid van den Hoogen Raad, dan zou het

Sluiten