Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O, laat ons hopen, dat de menschheid eenmaal den godsdienst vinde! Laat ons hopen, dat eenmaal Christenen, Joden, Mohammedanen en Heidenen den godsdienst beoefenen.

In onze „verlichte" eeuw is dat nog niet het geval. Zij, die ervan overtuigd zijn, dat het geloof zalig maakt, en niet de werken, zullen in liefde hen moeten verdragen, die beweren, dat het geloof zonder de werken een dood geloof is.

Verdraagzaam moeten we wezen, en dat zijn we ook wel, voor zooverre de godsdienst ons eene zaak des gemoeds en des harten is en geene broodwinning, geen middel om iets te zijn of te worden in de wereld.

Zoo zou een kamerlid hebben kunnen doordraven, alleen bij dat onnoozele woordje den. Veel waars, veel schoons, veel goeds nog zou naar aanleiding van dat woordje gezegd kunnen zijn. Doch veel nuttigs ook?

Zoo laat ons dan overgaan tot de artikelen.

„Ieder," zegt het eerste, art. 167, „ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, behoudens de bescherming der maatschappij en harer leden tegen de overtreding der strafwet."

Vóór 1848 kende de grondwet alleen vrijheid van godsdienstige begrippen; toen werd er van be 1 ijden niet gesproken, zoodat de openbare godsdienst oefening niet vrij was. Wel werd al sedert eene eeuw de godsdienstoefening van andere kerkgenootschappen dan dat der staatskerk niet gehinderd, maar de vrijheid der godsdienstoefening was toch niet gewaarborgd, zooals ze dat nu is. Het volgende artikel kent aan alle kerkgenootschappen in het Rijk gelijke bescherming toe: wie eene openbare godsdienstoefening stoort of verhindert, wordt gestraft.

De vrijheid is dus volkomen. Verlies echter niet uit het oog, wat er staat achter het woordje behoudens.

Men mag in Nederland Mohammedaan of Mormoon zijn, men mag er zijn tempel stichten, men mag er leeraren, wat men wil, doch .... men mag niet meer dan ééne vrouw trouwen; de Mohammedanen en Mormonen, die hunne leer in ons land ten volle in practijk zouden willen brengen, zouden al spoedig in de gevangenis terecht komen.

Gij moogt, al dringt uw godsdienstig gemoed er u toe, uw eerstgeboren zoon niet offeren.

Gij moogt geen vierhonderd Baaispriesters, al hebt gij ze in uwe macht, naar de beek Kedron voeren en ze aldaar slachten.

Sluiten