Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op deze vragen geeft de geschiedenis een antwoord.

Is het billijk, dat de band blijve bestaan?

Dat is eene kwestie, waarover men het al lang niet eens was ten tijde van Oldenbarnevelt.

In de middeleeuwen stond de Kerk boven den Staat. De pausen kroonden eigenmachtig keizers en zetten ze ook eigenmachtig af. De Kerk, die één was, heerschte over allen en alles. De priester ontving den mensch bij zijne geboorte, kerstende hem, schreef hem op in het register der levenden, onderwees hem later in de leer, bevestigde hem als lid der Kerk, bestuurde hem op al zijne schreden, bad met en voor hem, vergaf hem zijne zonden, zegende zijne werken, getuigde van hem, als het noodig was, voltrok zijn huwelijk, bemoeide zich om zijne kinderen, stond eindelijk aan zijn sterfbed, zelfs als zijne naaste verwanten hem verlaten hadden, schreef hem op in het register der dooden en begroef hem eindelijk in gewijde aarde.

Die priester had zijn „traktement" volgens den ouden stelregel: die het altaar bedient, zal van het altaar leven.

En dat „altaar", de Kerk, verwierf rijke goederen; alle menschen gevoelden verplichting jegens haar; schenkingen en legaten stroomden haar toe, zoodat de godshuizen de schoonste waren in elke gemeente en hare dienaren in weelde konden leven. Niemand droeg ooit meer bij, dan hij zelf wilde, dan zijn gemoed hem insprak.

Toen de hervormde Godsdienst in ons land de heerschende, de religie van staat werd, verloor de oude Kerk al hare goederen; de Staat schonk die, voor zooverre het kerken en scholen waren, aan de gereformeerde gemeenten, gaf de kloosters en de weeshuizen aan de steden en dorpen, waar ze gevonden werden, en hield de akkers en velden voor zich zeiven; de opbrengst dekte de kosten van den oorlog tegen Spanje. Aan de dorpsgeestelijken werd de keus gelaten, om zich bij de Reformatie aan te sluiten of „heen te gaan." De Lutherschen werden wat later óp denzelfden voet behandeld: te Woerden, waar zij sedert 1558 eene bloeiende gemeente vormden, werd hun in 1580 de kerk afgenomen; de machthebbenden schonken die aan de gereformeerden, alhoewel deze de minderheid vormden, en de Lutherschen behielpen zich met een stal.

Uit hetgeen de Staat zich van de kerk had toegeëigend, werden voortaan traktementen betaald aan gereformeerde predikanten. Daardoor werd de Hervormde Kerk van den Staat afhankelijk, zoo afhankelijk, dat bijvoorbeeld Jan de Witt in 1654

Sluiten