Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over Sparta. Steeds vindt gij, dat het handeldrijvende volk eene goede vloot, het landbouwende een flink leger heeft.

De kooplieden, belang hebbende bij eene ongestoorde vriendschap met alle natiën, zijn ook altijd vreedzamer geweest dan de landbouwers, die in het aanwinnen van grondgebied hun voordeel zagen.

Wat kan men uit dit alles besluiten met betrekking tot ons vaderland?

Ons dunkt: dat wij, wat er ook in de grondwet geschreven sta, nimmer een fiksch leger zullen krijgen. Het soldaatjespelen zit niet in den aard van den Nederlander; ieder heeft bij ons het land aan den dienst. Doch flinke matrozen, vlugge, bekwame zeelieden hebben wij. Eene goede vloot is bij ons denkbaar.

Onder Jan de Witt hadden wij ter zee zelfs wat te vertellen aan Engeland, de grootste zeemogendheid.

Sedert de Republiek der Vereenigde Nederlanden echter tot de historie behoort, hebben wij, dwaselijk de Franschen naapende, ons meeste geld aan ons landleger besteed. Ons ministerie van oorlog heeft zelfs uitsluitend met dat leger te maken; onze zeemacht ressorteert onder het ministerie van marine.

En dan kost „oorlog" ons bijna een en twintig m i 11 i o e n, terwijl algemeen beweerd wordt, dat het land gansch niet verdedigd is. Ons leger heeft niets te beduiden, onze schutterij is belachelijk.

Aan „marine" besteden wij bijna dertien millioen, en men mag veilig aannemen, dat wij ter zee niets in te brengen hebben.

De Franschen hebben het bij ons zoo ingericht, en het heeft ons elk jaar het derde deel der staatsinkomsten gekost.

De fout lag daarin, dat wij, kooplieden, een voorbeeld namen aan de landbouwende Franschen.

Weldra zal het echter beter worden, nietwaar?

Men zegt het, doch wij zijn zoo vrij, er niets van te gelooven.

Er gaan dagelijks stemmen op, die ons wijzen op Duitschland.

Als wij de Duitschers gaan nadoen, vervallen wij immers in dezelfde fout, die ons noodeloos zooveel millioenen heeft gekost.

Waarom zorgen wij niet voor eene flinke vloot?

Daarmee zouden wij ons in tijd van nood zelfs tegenover eene groote mogendheid kunnen doen gelden. Een landleger kan ons alleen dienen tegen onze naaste buren, de Belgen en

Sluiten