Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE VIERDE STAND.

(1891.)

Segen ist der Miihe Preis!

eder staat, waar hij zich zelf plaatst.

Dat is zijn stand.

Hij moet er zich op handhaven, anders wordt hij verdrongen.

Talrijker zijn de dringers, naarmate een stand beter is, want in alle eeuwen heeft het „ga heen, maak plaats voor mij" in de wereld gegolden; in onze dagen krachtiger en onbeschaamder dan ooit, ondanks alle Christendom.

Om op zijne veroverde plaats te kunnen blijven,

moet men sterker zijn dan de dringers, dat is klaar. De sterksten hebben den besten stand, en als ze hem nog niet hebben, dan krijgen ze hem straks.

Oudtijds waren zij de voorsten of vorsten, keizers, koningen, hertogen, heeren. Zeer velen hadden zelfs zooveel kracht en wisten ook de kracht van anderen zoodanig te gebruiken, dat zij hun stand als erfdeel aan hunne kinderen en kindskinderen tot in verre geslachten konden nalaten. Het spreekt van zelf, dat zij ook machtig klinkende namen droegen, rijk aan goederen waren en steeds in de wapenrusting en met het zwaard te midden van een drom welbeloonde dienaren gereed stonden, om het eenmaal verworvene te verdedigen.

Dat was de eerste stand, dat waren de bovenste tien duizend, dat was de adel, landen bezittende, kasteelen bewonende, de wapenen voerende, de wereld regeerende.

Men kwam ertoe door eigen kracht, niet door het werk van anderen, al mocht dat soms zoo schijnen, als men anderen tot zijn doel wist te gebruiken. Een mensch is, wat hij zich zelf

Sluiten