Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer B r e d i u s was overleden en in de Commissie opgevolgd door den heer D. W. Stoop, notaris en wethouder te Dordrecht, lid der Prov. Staten van Zuid-Holland; de heer Van O s e n b r u g g e n was lid van de Tweede Kamer

geworden. . ^

De heer Kluifhoofd, voorzitter, moest met een kort

in memoriam van het overleden lid beginnen. Daarna bleek het al spoedig, dat de plaatsvervanger eer een meerdere dan een mindere was. De heer D. W. Stoop wilde onder meer, dat de Commissie zich zou laten mandateeren door de gemeenteraden. Zij moest als vertegenwoordiging kunnen optreden. Dat werd met algemeene stemmen aangenomen. De voorzitter zou de gemeenteraden uitnoodigen tot het afvaardigen van gevolmachtigden naar eene nader te beleggen vergadering. De heer Kluithoofd stelde ook voor, aan de locale belangen de gelegenheid te geven, zich in cijfers uit te drukken. Het aanbod van geldelijke bijdragen zou bewijzen, hoe zeer en hoe algemeen de brug werd gewenscht. Blijkbaar was de president op den weg, dien ook wij bewandelden: hij rekende niet met de onbeweeglijkheid der tevreden menschen. De tevredenheid was er nog in het jaar 1880, al begon de hemel er bewolkt uit

te zien.

De dikke lijn op onze kaart was door den heer Bredius, zaliger gedachtenis, uitgewischt, en zoo ontspon zich dan de discussie over de plaats, waar de brug zou komen. Dat

was het oude zeer, de oude tweedracht.

De heer Stoop stelde 's-Gravendeel voor. Verworpen met algemeene stemmen op die des voorstellers na.

De secretaris, die d e rails maar altijd voor oogen bleef houden, proponeerde de plaats, die hij op de kaart had aangewezen. Verworpen met algemeene stemmen op de zijne na.

De heer Van D r i e 1 beweerde, dat Rotterdam veel zou doen, als men Puttershoek koos. En dat werd inderdaad gekozen. De afwezigheid van den heer Van Weel was er de oorzaak van,

dat Goedschalkoord niet werd besproken.

De heer Van Drongelen had intusschen eene akte van verbintenis op zegel gesteld. Wie daarop teekenden, verbonden zich tot het storten der achter hunne namen genoemde sommen, ten behoeve van het Rijk of van anderen, als vóór 1 Januari 1885 de Hoeksche Waard door het Rijk of die anderen met den vasten wal werd verbonden. De verbintenis werd aangenomen door „den medeondergeteekende Peter Mathijs Hubert

Sluiten