Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van wedergeboorte die zich terstond ook meer of minder doet gelden, maar slechts om bekeering zoover die noodig is om het nieuwe leven dat men dan alvast moet onderstellen als reeds aanwezig, naar buiten te doen treden. Dit is hier het eigenaardige, het vaststellen vóór alle dingen, van het verborgene, van hetgeen men niet weet. Want het is alléén door den weg des geloofs in Jezus heen, dat men waarlijk tot die wetenschap kan komen. Zonder eenigen grond neemt men eenvoudig maar aan, dat zulk een kind wedergeboren is. Zonder eenigen grond, — want nergens wordt ons geleerd, dat God wanneer Hij iets belooft, zich uiteraard meteen ook verbindt om dit op staanden voet te doen of te geven. Maar toch, wilt gij kunnen bidden om bekeering, dan moet gij op het nieuwe standpunt staande dit onderstellen, want anders zoudt gij bidden om een bekeering waarvan gij weet, dat God ze naar den regel van Zijn doen, niet schenkt. En, nog afgedacht hiervan of men zulk een gebed mag bidden, is het in elk geval onmogelijk om het met hartelijk geloof te doen gepaard gaan.

Nog iets dat eveneens door de bewuste leer begunstigd wordt, is de gedachte dat ook de uitverkorenen onder de heidenen, vóór de prediking des Woords tot hen komt, wedergeboren worden, en misschien wel reeds, evenals die in het Verbond geboren worden, in hun prilste jeugd. Immers, indien men er toe overgaat, om den Geest der wedergeboorte zoo geheel onnoodig te scheiden van het Woord, zooals dit geschiedt door de leer dat de uitverkorenen in het Verbond geboren, ook zoo zij in leven blijven, van de geboorte aan reeds wedergeboren zijn, wat voor band is er dan nog, die zou beletten om die lossigheid van het Woord, en dat wedergeboren worden vóór er eenig nut in kan steken, nog vérder uit te strekken? Waar een redelijk doel of nuttigheid, tot wettiging van een denken aan wedergeboorte zónder en vóór het Woord, binnen den kring der kerk, zóó weinig noodzakelijk wordt geacht, — daar kan men een op zulk een wijze wedergeboren worden, ook nog wel iets vérder uitstrekken, en tevens gaan onderstellen of aannemen, dat God óók de uitverkoren heidenen wel wederbaart zóó

Sluiten