Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deze eenvoudigste der verklaringen kunnen wij in Matth. 28 :19 niet vinden, dat aan de Kerk opgedragen wordt om iemand te doopen alleen dan wanneer hij wedergeboren of bekeerd is geworden, of ook wanneer hij waarlijk het zaligmakend geloof ontvangen heeft. De Kerk wordt hier geen onfeilbare toetssteen in handen gegeven, om te onderzoeken wie waarlijk de innerlijke vernieuwing verkregen hebben, om dan daarna dézen en niemand anders, den Doop toe te dienen. Op het uitwendige, dat in geval van innerlijke vernieuwing niet uit zou blijven, maar hetwelk ook heel wel kan voorkomen bij geheel gemis van die innerlijke vernieuwing, op dat uitwendige, op uitwendige verschijnselen, die wel hooren bij de wedergeboorte en bekeering, maar ook zonder die zeer goed mogelijk zijn, moet de Doop bediend. Op ... het zich laten onderwijzen, of wilt ge: op een zich, voor het uitwendige, — want het hart kent de Heere alleen, — ganschelijk onderwerpen aan het Woord der Christelijke onderwijzing, ganschelijk: met de belijdenis des m o n d s dus, en met den wandel. Op zulk een uitwendig bestaand toestemmen en volgen, in vrijwilligheid, — want uiterlijke dwang is tegen den geest des Christendoms, — mag en moet de Doop volgen. Naar de diepere beginselen waaruit de toestemming of begeerte om gedoopt te worden, zou voortkomen, heeft de Kerk niet te onderzoeken, — althans niet om te verwerpen, indien n.1. het gedrag in woord en wandel is als van iemand die geheel en al aanneemt het Woord Gods.

Het komt al op het uitwendige aan, wat betreft de vraag of de Kerk den Doop moet of mag toedienen. Trouwens hoe zou het ook anders? Kwam het wat deze zaak betreft geheel of gedeeltelijk op iets anders aan, dan was daarmee het doopen voor de Kerk tot een onmogelijke zaak gemaakt, omdat alleen de Heere kent wie Zijne zijn. Grond, onderstelling of eisch voorde bediening des Doops aan iemand is hier dus wezenlijk: niet het verborgene, waarvan men niet een zéker oordeel vellen kan,— maar de uiterlijke openbaring of verschijning. En anders krijgt men een doopsbediening op een geheel onzekeren grond, een doopsbediening waarvan men niet weet of ze recht en reden van bestaan heeft, in één

2

Sluiten