Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gods als den Drieëenige, en in de sfeer of levenskring die door dezen Naam of openbaring Gods wordt verlicht, wordt afgebeeld door den waterdoop, en geschiedt ook door dien waterdoop, door de dienaren des Woords in den naam der Kerk verricht. Dit is alzoo niet datgene wat verborgen in het binnenst van het menschelijk gemoed plaats vindt, niet de overgang van den mensch zélf, die zich naar buiten openbaart. Die overgang, verborgen en innerlijk, door God alleen met zekerheid gekend, wordt niet door water en niet door de hand des dienaars tot stand gebracht, maar door den H. Geest alleen, zij het als zich voegende bij het Woord der prediking. Déze overgang, i n n e rl ij k van de duisternis tot het licht, innerlijk van den dood tot en in het leven, heeft bij de uitverkorenen zoo zij toegebracht worden door den zendingsarbeid, dikwijls reeds plaats vóór den uitwendigen overgang, die volbracht wordt in en door den waterdoop. Doch bij velen heeft die verborgen en geestelijke overbrenging ook plaats na de uitwendige inlijving en inbrenging in de Kerk, en dit vooral bij zulken die reeds krachtens hun natuurlijke geboorte en afkomst eenigzins op uitwendige of vleeschelijke wijze in Verbond en Kerk waren, welk uitwendig in-zijn dan door den Doop zijn volle beslag en verwerkelijking verkreeg.

Er zijn dus eigenlijk twee overgangen van de duisternis tot het licht, van de wereld tot de Kerk, of: van den saten tot God, van de algemeene openbaring en genade tot en in de bizondere openbaring en genade, van den Naam waarmede God zich openbaart in de natuur tot en in dien inniger Zijn wezen wedergevenden Naam, welke met Zijn licht beschijnt en verlicht alleen de Kerk, welk licht van den beginne af verre heeft overtroffen het licht waarmede de Zoon Gods natuur en wereld buiten de Kerk verlicht, Joh. 1:9. Die bizondere Naam van God, den Naam Gods als Vader, en Zoon, en H.Geest, is h e t licht, het eeuwige licht, het volkomen licht, dat de Kerk v e r 1 i c h t, in haar verborgen leven, en in haar uitwendig leven. En b u i t e n dit licht, n.1. dezen Naam of openbaring Gods, is er voor haar geen licht, maar enkel duisternis. In d i t licht wandelt zij en dit licht is in haar. Daarin leeft zij, gelijk wij zeiden, naar haar verborgen leven en naar haar uitwendig leven.

Sluiten