Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonder dat Gods Geest nu zich op zaligmakende wijze paart aan den Doop. Want zal de Doop ons tot zaligheid bevorderlijk zijn en ons worden een zegel van aanwezige genade, dan moet hij door Gods Geest dat voor ons gemaakt worden. Het is waar, het ligt maar hieraan, dat ons oog ten opzichte van onzen Doop op zaligmakende wijze verlicht wordt, maar dit geschiedt door Gods Geest, zich voegende bij onzen Doop tijdens of na het ontvangen er van. De Doop zélf is niet zulk een zegel en kan als zoodanig niet werken. Wel kan gezegd worden, dat de besnijdenis Abraham was een zegel van de gerechtigheid des geloofs. Maar dit was die besnijdenis, omdat zij het door Gods Geest Abraham ge word e n was. Zonder dat was de besnijdenis Abraham zulks niet geweest, en had zijn besnijdenis alzoo niet in hem gewerkt of kunnen werken. De Doop op zich zelf verzegelt het Woord of het Evangelie. Daarvan is het zegel, ook zonder onze geloofswerkzaamheid. Maar zegel van aanwezige genade is zij den geloovige niet op en door zich zélf. Hij is dat alleen door Gods Geest, en als Gods Geest hem dit maakt.

Zoo is dus de Doop voor een onwedergeboren gedoopte alléén een uitwendige overbrenging van de wereld in de Kerk. Verder werkt zijn Doop niet, zoolang hij altans niet innerlijk of geestelijk gedoopt werd, d.i.: de wedergeboorte ontving. Verder werkt zijn Doop niet. Of anders gezegd: meerdere kracht zit in den Doop op zich zelf genomen niet. D.i.: als Gods Geest hem niet meerdere kracht verleent, hetgeen Hij alleen doet in geval van wedergeboorte, heeft de Doop alleen de innerlijke kracht om iemand van de sfeer waarin slechts Gods algemeene openbaring heerscht, naar het uitwendige over te brengen in die hoogere sfeer, n.1. in die van Gods bizondere openbaring. Meer kan en mag aan den Christelijken Doop, op zich zelf genomen, niet toegeschreven, of men zou geestelijke en zaligmakende werkingen moeten gaan toekennen aan stoffelijke en bloot uitwendige handelingen; of ook: het zuiver uitwendige en stoffelijke een zekere magische, of verborgen en geestelijke kracht toekennen, een andere of hoogere kracht in elk geval, dan God aan het stoffelijke en uitwendige of zinnelijke, op zich zelf verleend heeft.

De Doop gelijk hij op zich zelf is, m.a.w.: de uitwendige Doop,

Sluiten